ECLI:NL:CRVB:2010:BO4300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4877 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van WAO-uitkering en medische grondslag

In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellant, die sinds 12 februari 1999 met rugklachten uitgevallen is voor zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft appellant per 15 juli 2008 in eerste instantie als 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd, maar heeft deze uitkering later ingetrokken op basis van een verminderde arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, waarna het Uwv het bezwaar gegrond verklaarde, maar de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 december 2008 vaststelde op 15 tot 25%. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd als in de eerdere procedure, met de toevoeging dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat er aanleiding was om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen adequaat was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de conclusies van het Uwv. De Raad heeft vastgesteld dat de verzekeringsartsen voldoende informatie hebben verzameld om tot een zorgvuldig oordeel te komen over de belastbaarheid van appellant. De Raad heeft ook geconcludeerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch geschikt zijn voor appellant, en heeft het hoger beroep van appellant afgewezen. De uitspraak van de rechtbank is bevestigd.

Uitspraak

09/4877 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juli 2009, 08/8153 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Namens appellant is verschenen mr. M.H.J. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als algemeen medewerker huishoudelijke dienst, is op 12 februari 1999 met rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant ingaande 11 februari 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 26 mei 2008 de WAO-uitkering van appellant ingaande 15 juli 2008 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2. Bij besluit op bezwaar van 8 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2008 gegrond verklaard en appellant per 15 juli 2008 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Ingaande 9 december 2008 is zijn WAO-uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant vanwege lage rugklachten met radiculaire problematiek, buikklachten na recidiverende liesbreuken en allergieën beperkt is in zijn belastbaarheid en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting vastgesteld op 22,1%.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies ervan. De rechtbank heeft het niet noodzakelijk geacht om een medisch deskundigenadvies in te winnen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.
4. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als hij in beroep heeft aangevoerd. Hij heeft betoogd dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Appellant heeft in dit verband gesteld dat er gelet op zijn lange behandelhistorie aanleiding bestond de curatieve sector te raadplegen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de verzekeringsartsen niet deskundig genoeg zijn om psychische beperkingen vast te stellen. Appellant acht zich op tal van aspecten van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zwaarder beperkt dan is vastgesteld door het Uwv. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor een onderzoek naar zijn beperkingen. Appellant is voorts van mening dat de voor hem geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank.
5.1.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts een anamnese heeft afgenomen en lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft daaruit voldoende informatie verkregen om tot een zorgvuldig oordeel te komen over de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts heeft om deze reden afgezien van het opvragen van informatie bij de curatieve sector. De bezwaarverzekeringsarts heeft na het bijwonen van de hoorzitting en het verrichten van aanvullend medisch onderzoek evenmin reden gezien de curatieve sector te raadplegen. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts bestaat er geen twijfel over de aanwezigheid van pathologie en de aard en de ernst daarvan. Nagezonden informatie van appellants huisarts heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven zijn standpunt te wijzigen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet aangenomen worden dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De Raad overweegt voorts dat het feit dat appellant op 12 juni 2008 door zijn huisarts is doorverwezen naar een neuroloog en de bezwaarverzekeringsarts hierin blijkbaar geen aanleiding heeft gezien de curatieve sector te raadplegen niet afdoet aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek nu aan deze doorverwijzing geen verslechtering van appellants medische situatie ten grondslag lag. De Raad overweegt tot slot dat de verzekeringsartsen opgeleid zijn om alle medische aspecten, waaronder de psychische, te beoordelen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar zijn psychische gezondheidstoestand te kort is geschoten.
5.1.3. Het is de Raad niet gebleken dat het Uwv de belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML van 10 september 2008 onjuist heeft vastgesteld. Appellant wordt in verband met chronische rugklachten met radiculaire problematiek verminderd belastbaar geacht ten aanzien van dynamische en statische rugbelasting. De bezwaarverzekeringsarts stelt zich op het standpunt dat hiermee ook de uit de liesklachten voortvloeiende beperkingen zijn ondervangen. Appellant wordt vanwege allergieën beperkt geacht voor stof, rook, gassen en dampen. De bezwaarverzekeringsarts heeft evenals de verzekeringsarts geen argumenten gevonden om beperkingen aan te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsartsen hebben bij eigen onderzoek naar de psychische klachten geen afwijkingen vastgesteld. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Mede nu appellant niet onder behandeling staat voor deze klachten en uit informatie van de huisarts niet blijkt dat appellant met deze klachten bij de huisarts bekend is. Van de zijde van appellant zijn in hoger beroep verder geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld in de FML van 10 september 2008. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.
5.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers van 11 september 2008.
5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.D.F. de Moor.
IvR