ECLI:NL:CRVB:2010:BO4343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1009 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 2 Afstemmingsverordening WWBArt. 3 Afstemmingsverordening WWBArt. 4 Afstemmingsverordening WWB
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan re-integratievoorziening

Appellant ontving bijstand en kreeg deze met 100% verlaagd gedurende één maand omdat hij zonder toestemming op vakantie ging en daardoor zijn verplichtingen bij het re-integratiebedrijf niet nakwam. Het College van B&W van Amsterdam stelde dat dit zeer ernstig tekortschieten oplevert in de medewerking aan een WWB-voorziening.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de verlaging terecht is. De duur van de vakantie is niet maatgevend; het gaat om het feit dat appellant zonder toestemming vertrok en daarna niet meer terugkeerde bij het re-integratiebedrijf.

De Raad stelt dat er sprake is van verwijtbaarheid en dat de verlaging in overeenstemming is met de Afstemmingsverordening WWB. Er is geen reden om de verlaging te matigen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand wordt bevestigd wegens zeer ernstig tekortschieten in medewerking.

Uitspraak

09/1009 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/1053 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.W. de Groote, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 09/1012, plaatsgevonden op 28 september 2010. Voor appellant is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 28 september 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft het College de bijstand van appellant met 100% gedurende één maand verlaagd op de grond dat hij niet genoeg meewerkt aan een voorziening die hem in het kader van de WWB is aangeboden, aangezien hij zonder toestemming op vakantie is gegaan en daardoor zijn verplichtingen met betrekking tot het re-integratiebedrijf Pantar niet is nagekomen.
1.2. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.
4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4.3. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: Afstemmingsverordening) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekort geschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden.
4.4. In artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat de bijstand gedurende één maand met 100% wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten. In artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening is aangegeven wanneer met name sprake is van zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
4.5. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, voor zover hier van belang, houdt het college bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende.
4.6. Artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college de verlaging lager kan vaststellen als de belanghebbende door de afstemming met het percentage genoemd in artikel 3, eerste lid, onredelijk zwaar wordt getroffen.
4.7. Op basis van de stukken staat vast dat aan appellant geen toestemming is verleend om van 18 juli 2007 tot en met 16 augustus 2007 met vakantie naar het buitenland te gaan, omdat dit nadelig is voor zijn re-integratietraject, en dat appellant desondanks op vakantie is gegaan. De Raad stelt verder vast dat appellant na eerdergenoemde vakantieperiode zich niet meer heeft gemeld bij re-integratiebedrijf Pantar. De Raad is van oordeel dat vorenstaande handelwijze van appellant een gedraging oplevert die kan worden gekwalificeerd als het zeer ernstig tekortschieten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden, omdat redelijkerwijs is aan te nemen dat appellant als gevolg van zijn gedraging meer dan één maand langer een beroep op bijstand zal moeten doen. Hiervoor is de duur van de in geding zijnde genoten vakantieperiode van appellant, anders dan hetgeen namens appellant ter zitting is betoogd, niet maatgevend. De Raad is voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.
4.8. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaald op 100% gedurende één maand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging te matigen.
4.9. Dit voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) J. Waasdorp.
RB