ECLI:NL:CRVB:2010:BO4577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6308 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO- en AAW-uitkering wegens niet-aangetoonde doorlopende arbeidsongeschiktheid

Appellant verzocht het UWV om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en AAW vanwege rug- en psychische klachten na een bedrijfsongeval. Het UWV stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 20 februari 1995, waarna werd geconcludeerd dat appellant op dat moment niet verzekerd was voor WAO of AAW. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat er geen doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf december 1993 of februari 1994 was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds december 1993 onafgebroken of met korte onderbrekingen arbeidsongeschikt was en dat hij zich in februari 1994 had gemeld bij de RIAGG met psychische klachten. Psychiatrische rapporten zouden volgens hem doorlopende arbeidsongeschiktheid bevestigen. De Raad overwoog echter dat onvoldoende aannemelijk was dat er sprake was van ernstige rug- of psychiatrische problematiek die leidde tot volledige en doorlopende arbeidsongeschiktheid.

De Raad onderschreef de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, die oordeelde dat de klachten niet wezen op een ernstige psychische stoornis of een crisissituatie en dat de rugklachten werden onderhouden door psychosociale factoren. De Raad bevestigde het standpunt van het UWV dat de arbeidsongeschiktheid niet was aangevangen tijdens een verzekerde periode en dat de arbeidsongeschiktheid niet onafgebroken 52 weken heeft geduurd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO- en AAW-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende bewijs van doorlopende arbeidsongeschiktheid tijdens een verzekerde periode.

Uitspraak

09/6308 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2009, 08/1428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Namens appellant is verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat. Het Uwv is – met bericht vooraf – niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Op 16 november 2001 heeft appellant zich via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) tot het Uwv gewend met een verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft daarbij vermeld dat hij arbeidsongeschikt is vanwege rug- en psychische klachten na een bedrijfsongeval.
1.3. Bij besluit van 15 oktober 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 28 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen. Het Uwv heeft – kort gezegd – overwogen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op basis van een medisch rapport van de CNSS en beschikbare medische informatie, waaronder een op 20 februari 1995 gedateerd rapport van psycholoog M. Farissi, vastgesteld moet worden op
20 februari 1995. Appellant was op die datum echter niet verzekerd ingevolge de WAO en AAW. Het Uwv heeft voorts overwogen dat de arbeidsongeschiktheid welke een aanvang heeft genomen op 27 december 1993 na het bedrijfsongeval niet 52 weken onafgebroken heeft geduurd. De verzekeringsartsen is niet gebleken van een ernstige psychiatrische stoornis of rugproblematiek, die bij voortduring is blijven bestaan.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij het Uwv volgt in de vaststelling van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 20 februari 1995. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 27 december 1993 of februari 1994 geen sprake is.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte heeft bepaald op 20 februari 1995. Appellant heeft betoogd sedert december 1993 onafgebroken dan wel met onderbrekingen van korter dan vier weken arbeidsongeschikt te zijn. Appellant heeft in dit verband aangevoerd niet bekend te zijn met een hersteldverklaring in het kader van de Ziektewet per 31 januari 1994 en, voor zover hier al van moet worden uitgegaan, dat hij zich op 14 februari 1994 bij de RIAGG heeft gemeld met psychische klachten. De in het dossier aanwezige psychiatrische rapporten bevestigen naar zijn mening dat hij doorlopend 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven. Nu hij ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als werknemer werkzaam was, dient volgens appellant te worden aangenomen dat hij verzekerd is voor de WAO.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat er op grond van de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de door het Uwv aanvaarde arbeidsongeschiktheid van appellant is aangevangen tijdens een periode waarin hij voor de WAO of AAW verzekerd was of dat de arbeidsongeschiktheid welke op 27 december 1993 - in een verzekerde periode - is aangevangen doorlopend 52 weken heeft geduurd. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen. De Raad acht onvoldoende aannemelijk geworden dat er bij appellant sedert 27 december 1993 sprake was van ernstige rugproblematiek of psychiatrische problematiek die leidde tot volledige en doorlopende arbeidsongeschikt van appellant. De Raad onderschrijft het standpunt van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, neergelegd in haar rapporten van 18 maart en 3 juni 2008. Koek heeft op basis van ontvangen medische gegevens van de huisarts en de GGZ aangenomen dat er bij appellant op en na 27 december 1993 sprake was van veel psychosociale problemen, de beschreven klachten duiden haar inziens echter niet op een ernstige psychische stoornis of crisissituatie. Koek heeft betoogd dat de conclusie in het intakerapport van de RIAGG van
27 mei 1994 dat appellant depressief is met een beginnende psychose niet overtuigend is. Het bestaan van ernstige rugproblematiek, leidend tot doorlopende arbeidsongeschiktheid, werd evenmin aangenomen door Koek. Koek heeft uit ontvangen informatie van appellants huisarts en fysiotherapeut afgeleid dat de rugklachten van appellant na het verwijderen van een lipoom onverminderd zijn blijven bestaan en onderhouden worden door psychosociale factoren. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat uitgaande van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 20 februari 1995, er geen sprake is van arbeidsongeschikt die is aangevangen tijdens een periode waarin appellant voor de WAO of AAW verzekerd was.
4.2. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.D.F. de Moor.
NK