ECLI:NL:CRVB:2010:BO4609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Stam
- C.P.M. van de Kerkhof
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering WAO-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsinzet en anticumulatie
Appellant, een zelfstandig ondernemer, ontving sinds 2004 WAO-uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV corrigeerde deze uitkeringen over 2006 op basis van inkomsten uit arbeid, waarbij een terugvordering werd vastgesteld. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat hij in 2006 niet had gewerkt, onderbouwd met een verklaring van zijn echtgenote.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en oordeelde dat appellant wel degelijk inkomsten uit arbeid had in 2006, wat ook door belastingaangifte werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep constateerde dat het UWV niet volledig had beslist op het bezwaar tegen de terugvordering, wat strijdig was met de Awb, en vernietigde het besluit. De Raad voorzag zelf in de zaak en bevestigde dat appellant een deel van zijn werkzaamheden had hervat en een aandeel in de winst had ontvangen.
De Raad wees het verweer van appellant af dat hij niet had gewerkt in 2006 en dat het UWV hem onvoldoende had gehoord. Ook vond de Raad dat de verklaring van de echtgenote onvoldoende bewijs leverde voor gewijzigde omstandigheden. De terugvordering werd gehandhaafd, waarbij het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over de terugvordering wordt vernietigd wegens onvolledige beslissing op bezwaar, maar de terugvordering wordt uiteindelijk gehandhaafd.