ECLI:NL:CRVB:2010:BO4959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.M. van de Kerkhof
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige terugwerkende intrekking van ziekengeld door UWV
Appellant meldde zich op 6 april 2007 ziek wegens nekklachten en werd op 23 april 2007 door de bedrijfsarts en verzekeringsarts geschikt verklaard voor werk. Op 4 juni 2007 meldde appellant zich hersteld bij de werkgever, maar de arbeidsovereenkomst werd per 1 september 2007 ontbonden. Appellant achtte zich vanaf die datum arbeidsongeschikt en kreeg daarop een Ziektewetuitkering van het UWV.
Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 18 december 2007 besloot het UWV op 20 december 2007 dat appellant met ingang van 1 september 2007 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het besluit tot terugwerkende intrekking van het ziekengeld in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb Pro) omdat appellant op 1 september 2007 redelijkerwijs niet kon weten dat hij geen recht had op de uitkering. De Raad stelt vast dat het besluit pas per 21 december 2007 geëffectueerd kan worden en vernietigt het bestreden besluit. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugwerkende intrekking van ziekengeld per 1 september 2007 wordt vernietigd en het recht op ziekengeld geldt tot 21 december 2007.