ECLI:NL:CRVB:2010:BO4959

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2425 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige terugwerkende intrekking van ziekengeld door UWV

Appellant meldde zich op 6 april 2007 ziek wegens nekklachten en werd op 23 april 2007 door de bedrijfsarts en verzekeringsarts geschikt verklaard voor werk. Op 4 juni 2007 meldde appellant zich hersteld bij de werkgever, maar de arbeidsovereenkomst werd per 1 september 2007 ontbonden. Appellant achtte zich vanaf die datum arbeidsongeschikt en kreeg daarop een Ziektewetuitkering van het UWV.

Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 18 december 2007 besloot het UWV op 20 december 2007 dat appellant met ingang van 1 september 2007 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het besluit tot terugwerkende intrekking van het ziekengeld in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb Pro) omdat appellant op 1 september 2007 redelijkerwijs niet kon weten dat hij geen recht had op de uitkering. De Raad stelt vast dat het besluit pas per 21 december 2007 geëffectueerd kan worden en vernietigt het bestreden besluit. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant.

Uitkomst: Het besluit tot terugwerkende intrekking van ziekengeld per 1 september 2007 wordt vernietigd en het recht op ziekengeld geldt tot 21 december 2007.

Uitspraak

09/2425 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2009, 08/797 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Bosch, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft zich op 6 april 2007 wegens nekklachten ziek gemeld voor zijn werk als terminaloperator bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Door de bedrijfsarts werd appellant per 23 april 2007 weer geschikt geacht voor zijn werk, hetgeen door een verzekeringsarts van het Uwv in een rapportage deskundigenoordeel van 23 mei 2007 werd bevestigd. Appellant heeft zich vervolgens op 4 juni 2007 bij de werkgever hersteld gemeld. Hij werd door de werkgever vrijgesteld van werk en de arbeidsovereenkomst is per 1 september 2007 door de kantonrechter ontbonden. Appellant achtte zich op en na deze datum arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft hem aansluitend aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een Ziektewetuitkering toegekend.
2. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 18 december 2007 is appellant bij brief van 20 december 2007 in kennis gesteld van het besluit van 18 december 2007, waarbij is beslist dat hij met ingang van 1 september 2007 geen recht had op een Ziektewetuitkering.
3. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 3 september 2008 een rapport uitgebracht en daarin de conclusie van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Bij brief van 5 september 2008 is appellant in kennis gesteld van de beslissing op bezwaar die op grond van dit rapport is genomen. Het bezwaar is daarbij ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep tegen het besluit van 5 september 2008 ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de door de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapporten. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond om aan te nemen dat de onderzoeken van deze artsen niet voldoende zorgvuldig zijn verricht en de getrokken conclusie niet kunnen dragen.
5. De Raad heeft het volgende overwogen.
5.1. De verzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 18 december 2007 bij onderzoek van appellant in de schoudergordels en bij nekbewegingen geen beperkingen kunnen vaststellen, en ook geen bewegingsbeperking in de linkerknie/het linkerbeen. De bezwaarverzekeringsarts maakt in zijn rapport van 3 september 2008 uitgebreid melding van door de behandelend sector verstrekte informatie, waaruit geen ernstige geobjectiveerde afwijkingen in de nek naar voren zijn gekomen, doch slechts lichte degeneratieve afwijkingen, die normaal zijn bij de leeftijd van appellant. Uit onderzoek van de behandelend orthopeed is volgens de bezwaarverzekeringsarts verder gebleken dat bij appellant sprake is van symptomatische gonartrosis, met een volledige beweeglijkheid en stabiliteit. De bezwaarverzekeringsarts heeft mede op grond van deze informatie vastgesteld dat appellant al jaren bekend is met knieklachten, waarmee hij echter steeds zijn werk heeft kunnen doen. De bezwaarverzekeringsarts, die in zijn rapport een werkbeschrijving heeft opgenomen, heeft verder vastgesteld dat de kniefunctie ruim voldoende was om de trap naar de kraancabine te kunnen beklimmen en de pedalen te kunnen bedienen.
5.2. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd onvoldoende reden om de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Met verwijzing naar een door de bezwaarverzekeringsarts op 14 juli 2009 uitgebracht rapport stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat de in hoger beroep overgelegde stukken gegevens bevatten die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant.
5.3. De Raad is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant eerst geruime tijd, te weten circa 3½ maand, na 1 september 2007 is gezien door de verzekeringsarts en door dit tijdsverloop er ruimte is voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts dat de gezondheidstoestand van appellant op die datum overeenstemde met onderzoeksbevindingen op 18 december 2007. Nu appellant aan het Uwv te kennen had gegeven dat hij op 1 september 2007 niet in staat was om zijn werk te verrichten en het Uwv aan appellant met ingang van die datum in afwachting van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling ook ziekengeld heeft toegekend, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat appellant op 1 september 2007 redelijkerwijs kon weten dat hij geen recht had op deze uitkering. Dat appellant eerder per 23 april 2007 hersteld werd geacht en zich per 4 juni 2007 ook als hersteld bij de werkgever heeft gemeld kan hieraan niet afdoen. De beslissing tot weigering van ziekengeld met terugwerkende kracht tot 1 september 2007 acht de Raad op die grond in strijd met de zorgvuldigheid, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.
Die beslissing kan gelet op de datum van verzending van het primaire besluit, 20 december 2007, naar het oordeel van de Raad niet eerder dan per 21 december 2007 worden geëffectueerd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dienovereenkomstig zelf in de zaak te voorzien.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en het besluit van 5 september 2008, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.
7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 september 2008 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 september 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Stelt vast dat appellant met ingang van 21 december 2007 geen recht meer heeft op ziekengelduitkering;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierrecht van € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 24 november 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
TM