ECLI:NL:CRVB:2010:BO6477
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij stopzetting Ziektewetuitkering
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 12 mei 2010, waarin de Ziektewetuitkering werd stopgezet omdat hij niet op het spreekuur van 6 april 2010 was verschenen. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de uitkering te schorsen tot het moment van uitspraak in hoger beroep.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen indien er sprake is van onverwijlde spoed en een zwaarwegend belang. Verzoeker stelde dat hij sinds april 2010 niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien en verwees naar stukken van deurwaarders en incassobureaus ter onderbouwing van schade.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat niet is gebleken dat verzoeker een aanvraag heeft gedaan voor een aanvullende uitkering op grond van de Wet werk en bijstand en dat de enkele verwijzing naar incassostukken onvoldoende is om een financiële noodsituatie aan te tonen. Ook waren er geen andere omstandigheden die een spoedeisend belang rechtvaardigden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het stopzetten van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.