ECLI:NL:CRVB:2010:BO7496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet aannemelijke arbeidsongeschiktheid op 17-jarige leeftijd
Appellante diende in mei 2009 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, gebaseerd op haar vermeende arbeidsongeschiktheid op de dag dat zij 17 jaar werd. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat zij toen arbeidsongeschikt was. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de medische rapportages weliswaar beperkingen suggereerden die mogelijk al op 17-jarige leeftijd bestonden, maar dat dit niet met medische stukken uit die periode kon worden onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling, maar leverde geen nieuwe medische gegevens die het oordeel konden wijzigen. Een laat ingediend forensisch psychologisch rapport werd buiten beschouwing gelaten vanwege het ontbreken van tijdige indiening volgens artikel 8:58 Awb Pro. De Raad volgde de vaste jurisprudentie dat aanspraken beoordeeld moeten worden naar de regelgeving die gold op het moment van de aanspraak, hier de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 1987.
De Raad stelde vast dat het ontbreken van medische informatie uit de relevante periode voor risico van de aanvrager komt. Zonder concrete bewijsstukken kon niet worden vastgesteld dat er sprake was van een stoornis of beperkte belastbaarheid op de dag dat appellante 17 werd. Daarom kon het beroep niet slagen en werd de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.