ECLI:NL:CRVB:2010:BO7496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1845 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet aannemelijke arbeidsongeschiktheid op 17-jarige leeftijd

Appellante diende in mei 2009 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, gebaseerd op haar vermeende arbeidsongeschiktheid op de dag dat zij 17 jaar werd. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat zij toen arbeidsongeschikt was. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de medische rapportages weliswaar beperkingen suggereerden die mogelijk al op 17-jarige leeftijd bestonden, maar dat dit niet met medische stukken uit die periode kon worden onderbouwd.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling, maar leverde geen nieuwe medische gegevens die het oordeel konden wijzigen. Een laat ingediend forensisch psychologisch rapport werd buiten beschouwing gelaten vanwege het ontbreken van tijdige indiening volgens artikel 8:58 Awb Pro. De Raad volgde de vaste jurisprudentie dat aanspraken beoordeeld moeten worden naar de regelgeving die gold op het moment van de aanspraak, hier de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 1987.

De Raad stelde vast dat het ontbreken van medische informatie uit de relevante periode voor risico van de aanvrager komt. Zonder concrete bewijsstukken kon niet worden vastgesteld dat er sprake was van een stoornis of beperkte belastbaarheid op de dag dat appellante 17 werd. Daarom kon het beroep niet slagen en werd de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/1845 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 februari 2010, 09/1391 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.P.J. van Tulden, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde mr. S.H.M. Skrotzki, advocaat te Roermond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, geboren op 2 mei 1969, heeft in mei 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2. Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante op de dag dat zij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was.
2. Bij besluit van 20 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na medisch onderzoek, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juni 2009 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts gevolgd, dat niet aannemelijk is geworden dat er bij appellante op de dag dat zij 17 jaar werd sprake was van een beperkte belastbaarheid. Uit de rapportages van arts A. Goei van 9 januari 2009, van arbeidsdeskundige A. Keulen van 1 februari 2009 en van specialist sociale zekerheid drs. M.A.L.M. Meertens van 7 mei 2009 blijkt weliswaar dat volgens deze rapporteurs de beperkingen van appellante (mogelijk) reeds op 17-jarige leeftijd aanwezig waren, maar dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank niet met medische stukken uit de betreffende periode onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat nu medische informatie uit de periode van 2 mei 1986 tot 2 mei 1987 ontbreekt en niet meer is te achterhalen, thans niet meer concreet is te bepalen of in de periode in geding reeds sprake was van stoornissen in engere zin (ADHD). Appellante heeft haar diploma biologische school gehaald en heeft daarna nog drie maanden KMBO gevolgd, waarmee zij is gestopt in 1988, dus na haar 18de verjaardag. Volgens de bezwaarverzekeringsarts wijst niets erop dat appellante op en na 2 mei 1987 niet in een functie had kunnen gaan werken welke op zijn minst het minimumjeugdloon had kunnen opleveren.
4. In hoger beroep heeft appellante haar stelling herhaald dat wel degelijk is aangetoond dat reeds op 17-jarige leeftijd sprake was van medische beperkingen, zodat zij in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. In hoger beroep heeft appellante één dag voor de zitting een uitgebreid verslag van een Forensisch psychologisch onderzoek van 14 oktober 2009 ingediend. De Raad laat dit stuk gelet op het bepaalde in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten beschouwing.
5.3. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak betrekking heeft. In het onderhavige geval betekent dit dat het Uwv diende te beoordelen of appellante op grond van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zoals deze luidden op 2 mei 1987, als jeugdgehandicapte is te beschouwen. Nu het om materieel nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit als weigering een uitkering met toepassing van de bepalingen van de AAW toe te kennen.
5.4. De Raad stelt voorts vast dat hetgeen in hoger beroep wordt aangevoerd in essentie hetzelfde is als hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en dat dit niet met nieuwe gegevens van medische of andere aard wordt onderbouwd. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld - onder meer in zijn uitspraak van 3 juni 2006, LJN BD4453 - moet de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico blijven van degene die (alsnog) de aanvraag indient.
5.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EK