ECLI:NL:CRVB:2010:BO7500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, werkzaam als schoonmaakster/helpende, meldde zich ziek met lage rugklachten en ontving een WGA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 25 maart 2009 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar stelde het UWV de beëindigingsdatum bij tot 10 mei 2009, waarna de uitkering definitief werd stopgezet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV deugdelijke gronden bood. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische belastbaarheid onjuist was vastgesteld en dat zij vanwege haar beenklachten niet geschikt zou zijn voor de voorgestelde functies.
De Raad overwoog dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies passend waren. De bezwaarverzekeringsarts had geen aanwijzingen gevonden voor psychische beperkingen en het medicijngebruik werd verklaard als onderdeel van pijnbestrijding. Appellante overlegde geen nieuwe medische gegevens die haar zwaardere beperkingen konden aantonen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de beëindiging van de WGA-uitkering werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.