ECLI:NL:CRVB:2010:BO7516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering die door het UWV op 10 juli 2007 werd afgewezen. Een nieuwe aanvraag in 2008 werd eveneens afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien.
In de bezwaarprocedure stelde een bezwaarverzekeringsarts dat er sprake was van nieuwe feiten, namelijk opname in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, waardoor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd verschoven. Desondanks concludeerde het UWV dat appellant nog steeds niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd is een eerdere afwijzing te heroverwegen, maar dat de rechter zich beperkt tot de vraag of er nieuwe feiten zijn die een herziening rechtvaardigen. De aangevoerde stukken boden geen relevante aanknopingspunten om het oorspronkelijke besluit te wijzigen.
De Raad vond dat het UWV in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en dat geen strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen is vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet noodzakelijk geacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering omdat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die het oorspronkelijke besluit rechtvaardigen te herzien.