ECLI:NL:CRVB:2010:BO7577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6448 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de intrekking van ziekengeld op basis van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 15 december 2010 uitspraak gedaan in hoger beroep over de intrekking van de ziekengelduitkering van appellant. Appellant had eerder een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, maar deze was door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Appellant had hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Almelo had eerder de beslissing van het Uwv vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant meldde zich ziek vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet en ontving een uitkering op basis van de Ziektewet. Het Uwv heeft vervolgens op 27 maart 2008 besloten dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Dit besluit werd door het Uwv bevestigd na bezwaar van appellant. De Centrale Raad van Beroep heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven en vastgesteld dat er geen nieuwe medische gegevens waren die de eerdere beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts konden weerleggen. Het verslag van het centrum voor revalidatie Het Roessingh gaf aan dat appellant moest leren omgaan met zijn klachten, maar bevatte geen medische gegevens die de beoordeling van zijn gezondheidstoestand ten tijde van de beslissing in twijfel trokken. De Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd en geen gronden gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

09/6448 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 oktober 2009, 08/512 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Dijkman, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2010.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkman.
Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 mei 2006 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.2. Bij besluit van 14 september 2006 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank Almelo heeft in haar uitspraak van 6 juni 2008 het besluit van 14 september 2006 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. De Raad heeft bij uitspraak van 25 september 2009 (08/4209 WAO) deze uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigd.
3. Appellant heeft zich op 9 juni 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.
4.1. Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 31 maart 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
4.2. Bij besluit van 24 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2008 ongegrond verklaard.
5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft daarbij overwogen dat terzake van het onderhavige ziektegeval als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant bij de beoordeling in het kader van de WAO zijn geselecteerd. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat geen nieuwe medische informatie in de bezwaar- en beroepsprocedure is ingebracht waaruit geconcludeerd kan worden dat de medische situatie per 31 maart 2008 ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling wezenlijk gewijzigd is.
6.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar recent ingezonden medische informatie heeft aangevoerd, vorm geen reden voor aan ander oordeel. In het overgelegde verslag van 9 september 2010 van het centrum voor revalidatie Het Roessingh wordt wel melding gemaakt van lijdensdruk van appellant, maar vooral benadrukt dat appellant dient te leren om te gaan met zijn klachten. Het verslag bevat geen medische gegevens die erop wijzen dat appellants gezondheidstoestand ten tijde hier in geding door de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist is beoordeeld. Ook de overgelegde verwijzingsbrief van 27 oktober 2010 van appellants huisarts vormt geen reden voor een ander oordeel. De huisarts vindt de huidige psychische en lichamelijke situatie van appellant wel zorgelijk, maar een eventuele verslechtering in appellants gezondheidstoestand moet in dit geding buiten beschouwing blijven.
6.2. Met betrekking tot de grief van appellant over de betekenis van het in voormelde WAO-procedure door de zenuwarts Busard uitgebrachte rapport verwijst de Raad naar zijn voormelde uitspraak van 25 september 2009. Ook deze beroepsgrond kan dus niet tot een ander oordeel leiden.
7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EK