ECLI:NL:CRVB:2010:BO7579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op ziekengeld na rugklachten en de geschiktheid voor eigen werk
In deze zaak gaat het om de beoordeling van het recht op ziekengeld van appellant, die van 1 mei 2006 tot 1 mei 2007 als teammanager/docent werkzaam was. Appellant heeft zijn werk gestaakt op 8 september 2006 vanwege overspannenheid, gevolgd door nek- en rugklachten. Op 5 december 2007 heeft een verzekeringsarts appellant hersteld verklaard, wat leidde tot de stopzetting van zijn ziekengeld per 6 december 2007. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank Groningen op 22 december 2008.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts zijn rugklachten te laag heeft ingeschat en dat hij niet in staat is om 40 uur per week zittend werk te verrichten. De Raad heeft de argumenten van appellant overwogen, waaronder de informatie van zijn behandelend orthopedisch chirurg. De bezwaarverzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellant fysiek in staat was om zijn arbeid te verrichten, ondanks zijn rugklachten. De Raad heeft de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts onderschreven, waarbij werd opgemerkt dat het werk van appellant voldoende mogelijkheden bood om zitten af te wisselen met staan en lopen.
De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat er geen reden was om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven. De Raad heeft geen gronden gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 15 december 2010, na een zitting op 3 november 2010, waarbij appellant werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en het Uwv door een advocaat.