ECLI:NL:CRVB:2010:BO7579

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-933 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het recht op ziekengeld na rugklachten en de geschiktheid voor eigen werk

In deze zaak gaat het om de beoordeling van het recht op ziekengeld van appellant, die van 1 mei 2006 tot 1 mei 2007 als teammanager/docent werkzaam was. Appellant heeft zijn werk gestaakt op 8 september 2006 vanwege overspannenheid, gevolgd door nek- en rugklachten. Op 5 december 2007 heeft een verzekeringsarts appellant hersteld verklaard, wat leidde tot de stopzetting van zijn ziekengeld per 6 december 2007. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank Groningen op 22 december 2008.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts zijn rugklachten te laag heeft ingeschat en dat hij niet in staat is om 40 uur per week zittend werk te verrichten. De Raad heeft de argumenten van appellant overwogen, waaronder de informatie van zijn behandelend orthopedisch chirurg. De bezwaarverzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellant fysiek in staat was om zijn arbeid te verrichten, ondanks zijn rugklachten. De Raad heeft de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts onderschreven, waarbij werd opgemerkt dat het werk van appellant voldoende mogelijkheden bood om zitten af te wisselen met staan en lopen.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat er geen reden was om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven. De Raad heeft geen gronden gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 15 december 2010, na een zitting op 3 november 2010, waarbij appellant werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en het Uwv door een advocaat.

Uitspraak

09/933 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 december 2008, 08/494 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2010.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Simsek.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was van 1 mei 2006 tot 1 mei 2007 fulltime als teammanager/docent in dienst van het [naam ROC] te [vestigingsplaats]. Op 8 september 2006 heeft appellant zijn werk gestaakt wegens klachten van overspannenheid, terwijl nadien meer sprake was van nek- en rugklachten.
1.2. Appellant is op 5 december 2007 gezien door een verzekeringsarts, die hem met ingang van 6 december 2007 hersteld achtte.
2. Bij besluit van 5 december 2007 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 6 december 2007 geen ziekengeld meer toegekend.
3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2007 is bij besluit van 15 april 2008 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts de beperkingen aan zijn rug te laag heeft ingeschat, omdat anders dan de verzekeringsarts heeft aangenomen wel sprake is van een wortelcompressie, dat hij ook volgens de hem behandelend orthopedisch chirurg niet in staat is 40 uur per week zittend werk te verrichten en dat zijn werk voornamelijk zittend werd uitgevoerd, waarbij de mogelijkheid om te vertreden veel te gering was, en bovendien naar dit werk geen zorgvuldig onderzoek is ingesteld.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. De verzekeringsarts heeft na onderzoek en kennisneming van informatie van appellants behandelend neuroloog vastgesteld dat appellant als gevolg van zijn rugklachten beperkingen ervaart bij langdurig lopen, staan en zitten. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op 21 januari 2008 op het spreekuur gezien en heeft, gelet op de beschikbare gegevens van de behandelend sector, op grond van het totaalbeeld, waaronder appellants dagelijkse activiteiten, het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven dat appellant fysiek in staat was om zijn arbeid te verrichten.
6.2. In beroep overgelegde nadere informatie van de behandelend orthopedisch chirurg, waaruit naar voren kwam dat de slijtage van appellants rug mogelijk iets ernstiger was dan aanvankelijk door de bezwaarverzekeringsarts was aangenomen, heeft ertoe geleid dat door een bezwaararbeidsdeskundige nader onderzoek is verricht. Uit het terzake uitgebrachte rapport blijkt dat het hier gaat om een overwegend zittende functie, waarbij doorgaans de mogelijkheid tot vertreden aanwezig is. Dat het hier gaat om een na telefonisch onderzoek opgesteld rapport is voor de Raad geen grond om aan de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige te twijfelen.
6.3. Mede op grond van voormeld rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie gehandhaafd dat appellant ondanks zijn rugklachten de fysieke belasting van zijn arbeid zowel dynamisch als statisch op de datum in geding weer aankon. De Raad acht deze conclusie zeer wel verenigbaar met het standpunt van de behandelend orthopedisch chirurg die in een brief van 16 juni 2008 vermeldt dat appellant in verband met discopathische afwijkingen reële klachten heeft, maar daarbij ook te kennen heeft gegeven dat in het algemeen zitten, staan en lopen afwisselend goed te verenigen zijn met de aangetoonde afwijkingen van appellant. Nu moet worden aangenomen dat appellants werk voldoende mogelijkheid bood het zitten af te wisselen met staan en lopen ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven.
7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De Raad ziet geen gronden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EK