ECLI:NL:CRVB:2010:BO7599

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-436 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gezagsverhouding werknemer bij horecaonderneming ondanks firmantschap

Appellante exploiteert een horecaonderneming en voerde betalingen uit aan een vennootschap onder firma waarin S. mede-firmant was. S. verrichtte werkzaamheden als kok en sous-chef bij appellante. De Belastingdienst stelde vast dat S. in dienstbetrekking was tot appellante en legde correctie- en boetenota’s op.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat S. in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot appellante. Appellante stelde in hoger beroep dat S. niet in gezagsverhouding werkte en wees op een naheffingsaanslag die tot nihil was verminderd.

De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van S. tot de reguliere bedrijfsvoering van appellante behoorden en dat het niet aannemelijk was dat S. geen opdrachten en aanwijzingen kon krijgen. Het firmantschap van S. in een andere onderneming met andere activiteiten stond dit niet in de weg. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat S. in een gezagsverhouding tot appellante werkte en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/436 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 december 2009, 08/5239 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 16 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.W.J.M. Crasborn, belastingadviseur te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010, waar voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur van appellante, bijgestaan door mr. Crasborn voornoemd. Het Uwv is, na schriftelijk bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld
aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
1.1. Appellante exploiteert een horecaonderneming, waarin restaurant De Vrijheid wordt geëxploiteerd.
1.2. De Belastingdienst heeft in opdracht van het Uwv een boekenonderzoek bij appellante ingesteld. Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat appellante betalingen heeft verricht aan de vennootschap onder firma [naam firma] waarin [naam directeur] en [naam firmant] [firmanten] firmant zijn. [firma] heeft hoofdzakelijk tot doel de in- en verkoop van wijnen. Deze betalingen hebben betrekking, naar de gemachtigde van appellante [v. W.] en [S.] hebben verklaard tijdens het onderzoek, op werkzaamheden die zijn verricht door [S.], als kok en sous-chef bij Restaurant de Vrijheid. Per 1 januari 2006 is [S.] bij appellante in dienst getreden als kok. De Belastingdienst heeft geconcludeerd dat [S.] werkzaam was in dienstbetrekking tot appellante.
1.3. Het Uwv heeft het standpunt van de Belastingdienst gevolgd en aan appellante correctie- en boetenota’s opgelegd over de premiejaren 2003 tot en met 2005.
1.4. Het bezwaar tegen deze nota’s is bij besluit van 25 september 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 september 2008 gegrond verklaard onder vernietiging van dit besluit onder gegrondverklaring van het bezwaar tegen de boetenota’s en ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de correctienota’s onder bepaling dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Tevens heeft de rechtbank gelast dat aan appellante het betaalde griffierecht dient te worden vergoed en is een proceskostenveroordeling uitgesproken. De rechtbank heeft geoordeeld dat [S.] zijn werkzaamheden heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
3. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank dat [S.] werkzaam was in een gezagsverhouding tot appellante bestreden. Bovendien heeft appellante gewezen op de omstandigheid dat de Belastingdienst de naheffingsaanslag Loonbelasting/premie volksverzekeringen inzake de door [S.] genoten beloning tot nihil heeft verminderd.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Ter zitting heeft [P.] gesteld dat [S.] niet bij appellante werkzaam was als kok/sous-chef, doch als adviseur inzake de wijninkoop en het verbeteren van de winstmarge. De Raad acht deze stelling niet geloofwaardig in het licht van de verklaringen afgelegd door [S.] en [v. W.] ten tijde van het onderzoek door de Belastingdienst. De omstandigheid dat [S.] geen koksopleiding zou hebben genoten acht de Raad evenmin van betekenis. Deze omstandigheid heeft appellante er immers niet van weerhouden om [S.] later als kok in loondienst aan te stellen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de werkzaamheden die [S.] heeft verricht behoren tot de reguliere bedrijfsvoering van appellante en acht het dan ook niet aannemelijk dat, gelet op de aard van de voor de onderneming wezenlijke werkzaamheden, en het hiermee verbonden bedrijfsbelang, aan [S.] geen opdrachten en aanwijzingen konden gegeven. De omstandigheid dat appellant mede-firmant was in [firma] staat hier naar het oordeel van de Raad niet aan in de weg, nu [firma] wezenlijk andere bedrijfsactiviteiten ontplooit. Dit betekent dat de Raad van oordeel is dat [S.] werkzaam is geweest in een gezagverhouding tot appellante.
4.2. De omstandigheid dat de Belastingdienst de naheffingsaanslag Loonbelasting/premieheffing tot nihil heeft teruggebracht, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu uit de gedingstukken blijkt dat de grond hiervoor was dat [S.] de beloning voor de werkzaamheden bij appellante in de inkomstenbelasting heeft verantwoord.
4.3. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
KR