ECLI:NL:CRVB:2010:BO7980

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3385 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het besluit was gebaseerd op een toereikende medische grondslag. De Raad heeft het hoger beroep behandeld zonder dat appellante of haar gemachtigde bij de zitting aanwezig waren.

De Raad heeft het oordeel van de onafhankelijke psychiater, die de belastbaarheid van appellante op 22 maart 2007 vaststelde en haar geschikt achtte voor de geselecteerde functies, gevolgd. De deskundige baseerde zijn conclusies op eigen onderzoek en beschikbare medische informatie, waaronder gegevens van behandelaars. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot afwijking van het deskundigenoordeel.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de informatie van de chiropractor en ziet geen reden om het besluit van het UWV te wijzigen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/3385 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 maart 2009, 07/5798 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak met nummer 09/2639 WIA, plaatsgevonden op 17 november 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. H.B. Heij. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het Uwv zijn ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 8 februari 2007 genomen besluit gehandhaafd. Appellante is met ingang van 22 maart 2007 niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 13 juli 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het besluit van 13 juli 2007 op een toereikende medische grondslag en moet appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de door haar als deskundige ingeschakelde psychiater R. Tonneijck, zoals neergelegd in zijn op 13 oktober 2008 door de rechtbank ontvangen rapport.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat haar functionele mogelijkheden zijn overschat.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante op 22 maart 2007, als neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 juli 2007. Voorts heeft de deskundige appellante vanuit medisch oogpunt geschikt geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
4.2. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat tot afwijking van deze hoofdregel. Daarvoor is in het geval van appellante geen aanleiding. De deskundige heeft een zorgvuldig medisch onderzoek verricht. Hij heeft zijn conclusies gebaseerd op eigen onderzoek en op de zich in het dossier bevindende medische informatie, waaronder informatie van behandelaars van appellante. De deskundige heeft naar behoren en overtuigend zijn conclusies gemotiveerd met betrekking tot de door de (bezwaar)verzekeringsarts aangenomen mogelijkheden en beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid en de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies.
4.3. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de in beroep ingebrachte informatie van de chiropractor.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
IvR