ECLI:NL:CRVB:2010:BO8123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschotten WW-uitkering ondanks verzoek kwijtschelding
Appellant werd bij besluit van 6 juni 2000 teruggevorderd tot een bedrag van f 74.189,79 (€ 33.665,86) aan voorschotten WW-uitkering over de periode 1998-1999. Na bezwaar en een beslissing op bezwaar bleef de terugvordering gehandhaafd en werd deze in rechte onaantastbaar.
Vanaf december 2001 voldeed appellant aan zijn terugbetalingsplicht via verrekening met zijn WAO-uitkering, maar door een verlaging van deze uitkering en inkomensdalingen werd de verrekening tijdelijk gestaakt. Een verzoek tot kwijtschelding van de restantschuld werd door het UWV afgewezen.
De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit tot verrekening met de WAO-uitkering ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaar dat terugbetaling onbillijk is omdat de uitkering mede ten goede kwam aan zijn ex-vrouw en kinderen. De Raad oordeelde dat dit bezwaar niet ziet op de vaststelling van de aflossingscapaciteit en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad verklaarde de onbevoegdheid van de rechtbank Alkmaar gedekt en wees erop dat appellant nog een verzoek tot kwijtschelding bij het UWV kan indienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering en verrekening met de WAO-uitkering terecht zijn en verklaart het hoger beroep ongegrond.