ECLI:NL:CRVB:2010:BO8290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6884 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van verplichting tot arbeidsinschakeling zonder ontheffing wegens medische klachten

Appellante, die samen met haar echtgenoot bijstand ontvangt, kreeg door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage arbeidsinschakelingsverplichtingen opgelegd op grond van artikel 9 van Pro de WWB. Na medisch onderzoek werd vastgesteld dat zij beperkt arbeidsgeschikt is, met een maximale inzet van 20 uur per week.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij het College zich mocht baseren op de adviezen van DetaPlanning en de GGD. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar hoofdpijnklachten onvoldoende in aanmerking waren genomen.

De Raad oordeelde dat het College terecht op de medische adviezen heeft vertrouwd, die de beperkingen van appellante erkenden maar haar toch geschikt achtten voor lichte arbeid. Appellante overlegde geen objectieve gegevens die het advies konden weerleggen. De Raad concludeerde dat geen dringende redenen bestonden om ontheffing te verlenen en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de arbeidsinschakelingsverplichtingen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

08/6884 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2008, 08/3013 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante, geboren [ in] 1958, en haar echtgenoot ontvangen al geruime tijd bijstand, naar de norm van gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College, na medisch onderzoek en advies van DetaPlanning van 9 november 2006, aan appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgelegd voor maximaal 8 uur per week.
1.3. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het College, na nieuw medisch onderzoek en advies van DetaPlanning van 23 oktober 2007, aan appellante de onder 1.2 genoemde verplichtingen opgelegd voor maximaal 20 uur per week.
1.4. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
30 oktober 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat het College zich heeft mogen baseren op de bij DetaPlanning en nadien bij de GGD ingewonnen adviezen, aangezien deze zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als naar hun inhoud deugdelijk zijn te achten.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het College onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die zij ondervindt als gevolg van hoofdpijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn - kort gezegd - de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zijn besluit op de adviezen van DetaPlanning en de GGD heeft mogen baseren. De verzekeringsarts van DetaPlanning is op grond van zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellante arbeidsgeschikt is met beperkingen. Deze arts heeft aandacht geschonken aan de gestelde medische klachten (waaronder hoofdpijnklachten) van appellante en heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van inspanningen, bukken en tillen. Appellante is voorts geschikt geacht voor lichte werkzaamheden gedurende 20 uur per week. De adviserend geneeskundige van de GGD heeft in de bezwaarfase deze conclusie in zijn rapportage van 29 februari 2008 onderschreven. Hij heeft zijn bevindingen gebaseerd op een spreekuurcontact, de aangeleverde medische informatie (waaronder die van de huisarts) en intercollegiaal overleg.
4.3. Appellante heeft geen objectieve medische of andere gegevens overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van het advies dan wel aan de wijze waarop dit tot stand is gekomen, dient te worden getwijfeld. Dat de klachten van appellante na de hier in geding zijnde periode wellicht zijn toegenomen, kan aan het voorgaande niet afdoen.
4.4. De Raad komt tot de slotsom dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de WWB die aanleiding geven om appellante tijdelijk verdergaand te ontheffen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) C. de Blaeij.
JvS