ECLI:NL:CRVB:2010:BO8858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging proceskostenveroordeling in zaak voortzetting huishoudelijke verzorging WMO
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft bij besluit van 14 april 2008 de aanvraag van betrokkene om voortzetting van huishoudelijke verzorging in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Na beroep bij de rechtbank heeft het College het bezwaar alsnog ontvankelijk verklaard en het bezwaar inhoudelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 30 juni 2008 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en wees het beroep tegen het inhoudelijke besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de rechtbank het College tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, begroot op € 322,--. Het College stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de proceskostenveroordeling onterecht was, omdat betrokkene zonder rechtsbijstand beroep had ingesteld tegen het eerste besluit en de rechtsbijstand alleen betrekking had op het latere besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank bevoegd was tot volledige proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb Pro en dat de proceskosten redelijkerwijs zijn gemaakt, mede gelet op de inzet van ARAG Rechtsbijstand. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding tot een eigen proceskostenveroordeling en bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage een griffierecht van € 447,-- dient te betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het College wordt afgewezen en de proceskostenveroordeling van de rechtbank wordt bevestigd.