ECLI:NL:CRVB:2010:BO9556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-148 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante is sinds 1998 arbeidsongeschikt verklaard wegens rugklachten en migraine en ontving een WAO-uitkering. Het UWV besloot de uitkering per 29 augustus 2007 in te trekken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank bevestigde dit besluit.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name vanwege ernstige rugklachten en ongeschiktheid voor lopende bandwerkzaamheden. Zij overlegde een brief van een orthopedisch chirurg ter onderbouwing.

De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling, inclusief de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), voldoende onderbouwd was. De geduide functies waren passend en de beperkingen ten aanzien van tillen en dragen waren adequaat meegenomen. De Raad zag geen aanleiding om het besluit te wijzigen en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Uitspraak

10/148 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2009, 08/2027 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2010, waar voor appellante is verschenen haar gemachtigde en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door I.T.A. Duijs.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 6 november 1998 uit haar functie van postsorteerster vanwege rugklachten met uitstraling naar haar linkerbeen uitgevallen. Tevens heeft zij migraineklachten. Per einde wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de klasse 80 tot 100%.
2.1. Het beroep van appellante is gericht tegen het besluit van 5 mei 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 4 juli 1997. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering van appellante per 29 augustus 2007 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
2.2. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar beperkingen. Appellante heeft ernstige rugklachten vanwege een discopathie op het niveau L5-S1 en in mindere mate op L3-L4 en L4-L5. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst zij op een in beroep overgelegde brief van orthopedisch chirurg N. Verschoor van 20 mei 2009. Voorts wordt de geschiktheid van de geduide functies betwist. Appellante wijst er op dat in de geduide functies lopende bandwerkzaamheden worden verricht voor welke werkzaamheden zij ongeschikt is bevonden in het eigen werk.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat blijkens zijn rapport van
8 mei 2007 verzekeringsarts H. Vogelsang appellante heeft onderzocht. Daarbij heeft hij een anamnese afgenomen, kennis genomen van de visie van appellante over haar gezondheidssituatie, waaronder haar rugklachten, en heeft hij informatie van de huisarts alsmede de eerdere medische beoordelingen bij zijn overwegingen betrokken. Naar aanleiding van deze onderzoeken heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 mei 2007. Bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman heeft in zijn rapport van 28 maart 2008 overtuigend en afdoende aangegeven waarom de door verzekeringsarts Vogelsang opgestelde FML kan worden gevolgd. Wat betreft de in beroep overgelegde brief van orthopedisch chirurg Verschoor van 20 mei 2009, schaart de Raad zich achter de reactie van bezwaarverzekeringsarts Hoffman van 14 april 2010 die voor de in deze brief genoemde verslechtering van de rug- en beenklachten sedert september 2008, ruim een jaar na datum in geding, geen aanleiding ziet te twijfelen aan de beperkingen vastgesteld op datum in geding.
De Raad constateert verder dat in hoger beroep geen nadere (medische) stukken zijn ingediend die twijfel zouden kunnen oproepen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts. Tot slot merkt de Raad op dat aan de eigen mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand niet dat gewicht kan worden toegekend dat appellante daaraan gehecht wil zien.
4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg in zijn rapport van 29 april 2008 genoegzaam heeft onderbouwd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker papier, karton, drukkerij (SBC-code 111174) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. De stelling dat in deze functies sprake is van “lopende bandwerkzaamheden” waarvoor appellante ongeschikt is bevonden, volgt de Raad niet. Uit het rapport van arbeidsdeskundige F. van Alphen van 27 juni 2007 blijkt dat appellante niet zozeer ongeschikt is bevonden voor haar eigen werk vanwege “lopende bandwerkzaamheden” als wel vanwege de tillende en dragende aspecten van de werkzaamheden. Ten aanzien van het tillen en dragen zijn beperkingen opgenomen in de FML op grond waarvan de thans geduide functies zijn geselecteerd en gemotiveerd passend zijn bevonden.
4.4. Hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd moet worden.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2010.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.L. de Gier.
NK