[Appellant] wonende te [woonplaats] Turkije (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010, 09/589 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2010
Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en nadere gronden ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Namens appellant is verschenen mr. Türkkol voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman.
1.1. Appellant is voorheen in Nederland werkzaam geweest als isoleerder. Op 1 februari 1983 heeft hij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld wegens maagklachten, rugklachten en psychische klachten. Aan hem is met ingang van 28 februari 1984 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant is in 1987 met behoud van zijn WAO-uitkering teruggekeerd naar Turkije.
1.2. Nadien is de WAO-uitkering van appellant herzien naar de klasse 15-25% en bij besluit van 19 augustus 1996 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 1 februari 1997 ingetrokken. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 23 december 1996 het beroep van appellant tegen het besluit van 19 augustus 1996 ongegrond verklaard. Bij brief van
20 oktober 2003, gevolgd door rappelverzoeken van 1 juni 2004 en 18 januari 2005, is namens appellant om heropening van de WAO-uitkering verzocht.
1.3. Het Uwv heeft appellant in verband met het bij 1.2 genoemde verzoek in Turkije door het uitvoeringsorgaan aldaar laten onderzoeken. Hierna heeft de verzekeringsarts M. Bakker de rapportages van de verschillende Turkse specialisten bestudeerd en bij haar onderzoek ook de gegevens betrokken die bekend zijn in verband met onder meer heronderzoeken in Turkije in 1995 en in Nederland in 1996 en 1999. Uit haar rapportage van 26 februari 2008 blijkt dat Bakker geen toename van beperkingen heeft kunnen vaststellen conform de criteria van het Schattingsbesluit in de periode tussen
1 februari 1997 en 1 februari 2002. Op één punt heeft zij appellant echter het voordeel van de twijfel gegeven, namelijk de beperking ten gevolge van een lichte stoornis in de doorbloeding van hersenvaten, waardoor duizeligheid kan ontstaan. In verband hiermee heeft zij twee verschillende Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML’s) opgesteld per 1 februari 2002. Er is een FML opgesteld zonder de beperking ten gevolge van duizeligheid op punt 1.9 en één met deze beperking op punt 1.9.
1.4. De arbeidsdeskundige E. Wieldraaijer heeft vervolgens in een rapportage van 22 juli 2008 zijn conclusie verwoord dat op grond van de vastgestelde beperkingen, inclusief het nieuwe medische feit ten aanzien van de bij 1.3 genoemde stoornis, er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 7 augustus 2008 geweigerd aan appellant met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen.
1.5. Appellant heeft tegen het besluit van 7 augustus 2008 bezwaar gemaakt, waarna de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek het dossier heeft bestudeerd en bij de hoorzitting op 15 december 2008 aanwezig is geweest. In een rapportage van 7 januari 2009 heeft zij het Uwv te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het oordeel van de verzekeringsarts dat er geen sprake is van medische feiten die wijzen op wijzigingen van de maagproblematiek in de periode van 1 februari 1997 tot 1 februari 2002 en geen toename te zien van beperkingen op psychisch gebied of van de rugklachten in die periode. Vervolgens heeft het Uwv het besluit van 8 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) genomen waarin het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Koek naar aanleiding van de in beroep nog ingezonden resultaten van bloedonderzoeken, urinecontrole en andere onderzoeken heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel te komen.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat er wel degelijk aanwijzingen zijn voor wijzigingen in de verzekerde aandoeningen tussen 1 februari 1997 en 1 februari 2002. Appellant is tevens van mening dat aan het verzoek tot heropening van het onderzoek in 1999 en aan een ziekenhuisopname in 1998 onvoldoende aandacht is besteed en dat de rechtbank een deskundige had moeten raadplegen.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De WAO-uitkering van appellant is ingetrokken met ingang van 1 februari 1997. In artikel 43a van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien binnen vijf jaar na de datum van intrekking (in casu 1 februari 1997) sprake is van arbeidsongeschiktheid en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.
4.3. Evenals de rechtbank heeft ook de Raad, gelet op het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens, zoals deze naar voren komen uit de rapporten van verzekeringsarts Bakker van 26 februari 2008 en de bezwaarverzekeringsarts Koek van 30 maart 2009 en van 7 januari 2009, geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden dat geen sprake is van een in het kader van artikel 43a van de WAO relevante toename van de beperkingen van appellant.
4.4. In haar rapportage van 7 januari 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts Koek voldoende onderbouwd dat er ten aanzien van de maagklachten, rugklachten en psychische klachten geen verdergaande beperkingen aangenomen hoeven te worden. In reactie op de in beroep ingezonden medische stukken heeft Koek - samengevat -aangegeven dat de uitslagen van onder meer bloedonderzoeken die op naam van appellant staan geen afwijkingen laten zien van enig relevante betekenis voor het aannemen van duurzame beperkingen en dat ook de overige in beroep ingezonden stukken evenmin aanwijzingen geven dat verdergaande beperkingen noodzakelijk zijn van de verzekerde aandoeningen van de rug, psyche en maag. Mede doordat de bezwaarverzekeringsarts alle voorhanden medische gegevens heeft betrokken bij haar onderzoek is de Raad van oordeel dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Raad stelt voorts met Koek in haar rapport van 7 januari 2009 vast dat haar conclusies volgens vaste rechtspraak van de Raad ter zake van artikel 43a van de WAO meebrengen dat in dit geval uiteindelijk geen arbeidskundig onderzoek had behoeven plaats te vinden.
4.5. Het voorgaande brengt de Raad tot het oordeel, wat er ook zij van een gesteld eerder verzoek om heropening van de WAO-uitkering dan wel van een ziekenhuisopname, dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van 1 februari 1997 tot 1 februari 2002. De Raad merkt nog op dat namens appellant in hoger beroep geen nadere informatie is overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie in deze periode. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige.
4.6. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2010.
(get.) T.J. van der Torn.