ECLI:NL:CRVB:2010:BO9638

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-880 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante, arbeidsongeschikt sinds 1987 en met een WAO-uitkering vanaf 1988, werd in 2008 herbeoordeeld. Verzekeringsarts Lie Pauw Sam stelde beperkingen vast en het UWV herzag de uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. In bezwaar onderzocht Admiraal de psychische en fysieke beperkingen en concludeerde dat appellante beperkte sociale vermogens heeft, maar geen langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch oordeel juist was en dat appellante niet meewerkte aan een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar sociale fobie haar arbeidsmarkttoegang belemmert, vooral bij functies met klantcontact, en vroeg om benoeming van een deskundige.

De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts de brief van de huisarts had meegewogen en dat er geen reden was het medisch oordeel te betwijfelen. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat de resterende functies binnen appellantes belastbaarheid vielen, en dat haar opleiding en ervaring voldeden aan de functie-eisen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding tot benoeming van een deskundige of toewijzing van het hoger beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.

Uitspraak

10/880 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2009, 09/3791 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 30 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde, mr. M. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was werkzaam als bejaardenhulp toen zij zich op 10 december 1987 met psychische klachten arbeidsongeschikt meldde. Aan appellante is met ingang van 24 december 1988 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 3 september 2008 onderzocht door verzekeringsarts R. Lie Pauw Sam. In een rapport van dezelfde datum heeft Lie Pauw Sam de rug-, knie en voetklachten alsmede de psychische klachten beschreven. Op basis van de bevindingen van het lichamelijk en psychisch onderzoek concludeerde Lie Pauw Sam dat appellante beperkingen heeft ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 22,14%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 17 oktober 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 december 2008 herzien naar de klasse 15 tot 25%.
3. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal appellante onderzocht op 29 januari 2009. Na afloop van dit onderzoek heeft Admiraal appellante verzocht mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek. Appellante heeft na aanvankelijke weigering ingestemd met dit onderzoek en vervolgens op 12 maart 2009 laten weten niet te willen meewerken aan een onderzoek door een door het Uwv aangewezen psychiater. In zijn rapport van 18 maart 2009 heeft Admiraal de verkregen informatie van huisarts H.H.M. Kranendonk van 16 december 2008 betrokken. Admiraal concludeerde dat geen sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, omdat er geen sprake is van langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante kan zichzelf in basale zin verzorgen, heeft een normaal dagnachtritme, verricht huishoudelijk werk en onderhoudt een stabiel samenlevingsverband met haar partner. Admiraal acht een angststoornis (in het bijzonder een posttraumatische stressstoornis) niet overduidelijk aanwezig. Desondanks kan een sociale fobie niet worden uitgesloten. Op grond van de diagnoses depressieve stoornis deels in remissie, persoonlijkheidsproblematiek en mogelijke sociale fobie concludeert Admiraal dat de psychische belastbaarheid van appellante is verlaagd en de nadruk ligt op sociale beperkingen. Admiraal is van oordeel dat in de FML grotendeels rekening is gehouden met de psychische beperkingen van appellante, maar dat haar sociale vermogens iets zijn overschat, te weten het samenwerken en de intensieve omgang met klanten. Admiraal concludeert voorts dat appellante als restverschijnsel van de facialispareses wazig ziet met het rechteroog, maar scherp met het linker, zodat visuele beperkingen niet zijn aan te geven. In de door Admiraal aangepaste FML van 18 maart 2009 is onder meer neergelegd dat appellante beperkt wordt geacht ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen, het omgaan met conflicten en het samenwerken. Appellante is tevens aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klachten vereist is en dat geen leidinggevende aspecten bevat. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon in een rapport van 21 april 2009 gemotiveerd waarom de geduide functies als passend kunnen worden aangemerkt. Hierna verklaarde het Uwv het door appellante tegen het besluit van 17 oktober 2008 gemaakte bezwaar bij besluit van 22 april 2009 ongegrond.
4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.
4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overwoog de rechtbank - kort gezegd - dat geen reden bestond om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag lag. De rechtbank overwoog dat de bezwaarverzekeringsarts appellante lichamelijk heeft onderzocht en dat appellante niet heeft mee willen werken aan een onderzoek door een door het UWV aangewezen onafhankelijk psychiater. De rechtbank was van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante onjuist heeft vastgesteld.
4.3. De rechtbank zag ten slotte geen aanleiding om de toelichtingen op de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor onjuist te houden.
5. In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - aangevoerd dat zij meer beperkt is dan is aangenomen. Appellante is van mening dat haar sociale fobie een belemmering is om op de arbeidsmarkt toe te treden, in ieder geval voor functies met veelvuldige klantcontacten, zoals de geduide functies administratief medewerkster en telefonist, receptionist. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar het schrijven van 16 december 2008, waarin huisarts Kranendonk aangeeft dat het appellante door haar gezondheidsklachten niet in staat is om op een normale manier om te gaan met haar medemensen, zij ook niet goed kan staan, lopen, zitten en liggen. Daarnaast heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. In het hoger beroep van appellante heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad overweegt dat de in overweging 5 vermelde brief van huisarts Kranendonk reeds door de bezwaarverzekeringsarts Admiraal is meegewogen. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Uit alle over appellante beschikbare medische informatie zijn geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven voor de conclusie dat appelante op de datum in geding niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte. De Raad ziet geen aanleiding appellante te volgen in haar opvatting dat haar beperkingen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren, waaronder het aspect ‘zien’, door de bezwaarverzekeringsarts onjuist zijn beoordeeld. Admiraal heeft laten meewegen dat appellante al jaren nergens meer onder behandeling is en geen medicatie gebruikt.
In hoger beroep heeft appellante geen (nadere) medische gegevens overgelegd die in een andere richting wijzen. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet een deskundige te benoemen.
6.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit oordeelt de Raad als volgt. Ten aanzien van de onder de sbc-code 315090 vallende functies administratief medewerker (functienummer 3812-0085-004, 3812-0085-005, 3812-0085-003 en 3812-0085-002) heeft de Raad niet de overtuiging gekregen dat deze functies geschikt zijn voor appellante, aangezien zij aangewezen is op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is en blijkens de functiebeschrijving in genoemde functies 15% van de taken bestaat uit het verrichten van werkzaamheden bij de receptie. De Raad is van oordeel dat dit niet als incidenteel is aan te merken. Met het vervallen van deze functies resteren binnen deze sbc-code echter nog negen functies. De Raad is, gelet op de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 21 april 2009 en van 18 augustus 2009, gelezen in samenhang met de rapportage van arbeidsdeskundige W.T. den Ouden van 16 oktober 2008, van oordeel dat de belasting in de resterende functies (naast de overgebleven functies in de sbc-code 315090, de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en wikkelaar (sbc-code 267050)) die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, valt binnen de belastbaarheid van appellante. Er is derhalve geen aanleiding om te concluderen dat deze functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. De functie telefonist, receptionist (sbc-code 315120) behoeft derhalve geen verdere bespreking.De Raad merkt naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht met betrekking tot het aspect ‘zien’ op dat ten aanzien van dit aspect geen beperkingen zijn vastgesteld, hetgeen, zoals in overweging 6.2 naar voren komt, door hem niet als onjuist is beoordeeld. Wat betreft hetgeen ter zitting naar voren is gebracht inzake het ontbreken van ervaring met computers, is de Raad van oordeel dat dit de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet in de weg staat. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt niet dat er bijzondere (opleidings- of ervarings)eisen worden gesteld ten aanzien van computergebruik. Voor zover het gebruik van een computer in de functies noodzakelijk is, is de Raad van oordeel dat van appellante verwacht mag worden dat zij zich deze vaardigheden in betrekkelijk korte tijd eigen kan maken. Met betrekking tot de stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte het door haar in Suriname behaalde ULO-diploma gelijkgesteld heeft met de opleidingseis VMBO beroepsgericht overweegt de Raad als volgt. In zijn rapport van 18 augustus 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Politon vermeld dat de term ‘beroepsgericht’ in de functie slaat op het niveau van theorie in de vooropleiding en dat het Uwv de aanduiding ‘VMBO beroepsgericht’ gebruikt voor de niveaus 1 en 2 en de aanduiding ‘VMBO theoriegericht’ voor de niveaus 3 en 4. De bezwaararbeidseskundige heeft vermeld dat het ULO-diploma van appellante de vergelijking met een diploma VMBO goed kan doorstaan en dat appellante, mede gelet op de aanvullende opleidingen die zij heeft gevolgd, waaronder een schakelcursus MBO en een cursus bejaardenverzorgende, welke zij beide met een diploma heeft afgerond, ruimschoots voldoet aan de gestelde opleidingseisen. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.
7. Uit de overwegingen 6.1 tot en met 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2010.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.J. van der Torn.
EK