Appellant, woonachtig in Turkije sinds 1992, werd bij besluiten van 26 juni 1995 schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van premies volksverzekeringen over 1989-1992. Dit leidde tot een AOW-pensioen met een korting van 8% wegens schuldige nalatigheid en een korting voor niet-verzekerde jaren. Diverse besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) bevestigden deze korting, waartegen appellant geen bezwaar of beroep instelde.
In 2007 verzocht appellant om herziening van deze besluiten, stellende dat hij niet nalatig was geweest. Dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het niet aan de Svb is om schuldige nalatigheid opnieuw te bewijzen, maar aan appellant om nieuwe feiten aan te dragen die de eerdere vaststelling weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat appellant geen nieuwe feiten heeft aangedragen die aanleiding geven tot herziening. Ook het contact met een medewerker van de Belastingdienst, aangevoerd door appellant, kon niet als nieuw feit worden beschouwd. De Raad acht geen gronden voor proceskostenveroordeling en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het AOW-pensioen met korting wegens schuldige nalatigheid wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
09/4533 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] in Turkije (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 08/3411 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 30 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is sinds 1992 in Turkije woonachtig. Bij brieven van 20 april 1995 heeft de Svb appellant er van op de hoogte gesteld dat hij de verschuldigde premies voor de volksverzekeringen over de jaren 1989 tot en met 1992 niet heeft voldaan en mogelijk schuldig nalatig zal worden verklaard. Op deze brieven heeft appellant, ondanks de hem geboden gelegenheid, niet gereageerd.
1.2. Bij vier afzonderlijke besluiten van 26 juni 1995 heeft de Svb appellant schuldig nalatig verklaard van betaling van de premies voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de jaren 1989 tot en met 1992. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Bij besluit van 28 oktober 2005 is aan appellant een pensioen toegekend ingevolge de AOW met een korting van 26% in verband met dertien niet-verzekerde jaren. Naast de korting voor de niet-verzekerde jaren is het pensioen van appellant nog met 8% gekort omdat appellant gedurende vier jaren schuldig nalatig is geweest de premies voor de volksverzekeringen te betalen.
1.4. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2005 ongegrond verklaard.
1.5. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant herzien en aan hem met ingang van juli 2005 een AOW-pensioen toegekend met een korting van 22% in verband met elf niet-verzekerde jaren en 8% vanwege de bij 1.2 vermelde schuldig nalatig verklaring. Tegen het besluit van 27 juni 2007 heeft appellant geen bezwaar gemaakt en geen beroep ingesteld.
1.6. Appellant heeft op 28 september 2007 de Svb verzocht om een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de korting van 8% wegens de schuldige nalatigverklaring tot het betalen van de premies volksverzekeringen. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft de Svb het verzoek wegens het ontbreken van nieuwe feiten afgewezen en het besluit van
27 juni 2007 gehandhaafd.
1.7. Bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 maart 2008 ongegrond verklaard. De Svb heeft daartoe overwogen dat het besluit van 27 juni 2007 rechtens onaantastbaar is geworden. Vervolgens heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat onder meer de besluiten van 26 juni 1995 voor wat betreft de schuldig nalatigverklaringen aangemerkt moeten worden als onmiskenbaar onjuiste besluiten. Appellant heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen waaruit zou blijken dat hij niet schuldig nalatig is geweest tot het betalen van premies over de periode van 1989 tot en met 1992. De Svb is van oordeel dat het verzoek om herziening van de besluiten van 16 juni 1995, 28 oktober 2005, 8 mei 2006 en van 27 juni 2007 terecht is afgewezen.
2.1. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangegeven contact te hebben gehad met onder meer de heer Jetten van de Belastingdienst Buitenlanders. Deze zou hem hebben meegedeeld dat hij bij deze dienst geen schulden heeft opgebouwd en niet nalatig is geweest in het betalen van premies voor de volksverzekeringen.
2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant wordt aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:
“De rechtbank stelt voorop dat in deze zaak niet de vraag aan de orde is of eiser over de jaren 1989-1992 schuldig nalatig is geweest premie te betalen. Over die vraag is reeds beslist bij besluiten van 26 juni 1995. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 14 februari 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN AV1645) heeft overwogen, is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om van een eerder genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit – al dan niet in volle omvang – te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing (deels) handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Dit laatste zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook in dat geval uit te gaan van het oorspronkelijke besluit en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Aldus is thans in geschil of verweerder het verzoek van eiser om terug te komen op de toekenning van een AOW-pensioen met een korting van 8% wegens schuldige nalatigheid van 27 juni 2007 terecht heeft afgewezen. Anders dan in een beroep tegen de eerste vaststelling van schuldige nalatigheid is het hierbij niet de Svb die aannemelijk dient te maken dat sprake is van schuldige nalatigheid, maar aan eiser om op grond van nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat (ondanks de eerdere vaststelling daarvan) van schuldige nalatigheid geen sprake is. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het in de beoordeling gaat om nieuwe feiten en omstandigheden en niet om nieuwe argumenten.
Eerst in beroep heeft eiser aangegeven contact te hebben opgenomen met de Belastingdienst. In een procedure op grond van artikel 4:6 AwbPro zoals deze kan de rechtbank hiermee in deze fase van de procedure geen rekening mee houden. Dit is juist iets dat eiser in de bestuurlijke fase naar voren had moeten brengen.
Los daarvan: eiser heeft zijn stelling dat hij geen belastingschuld heeft niet onderbouwd; dat terwijl het -als gezegd- in een procedure als de onderhavige juist aan eiser is om met bewijzen te komen. Dat geldt eens te meer naarmate de periode waarop de zaak betrekking heeft in een verder verleden ligt (zoals hier). Eiser heeft geen document overgelegd waaruit blijkt dat alle premies zijn voldaan. Onduidelijk is bovendien wat er tijdens het gesprek met dhr. Jetten precies is gezegd. Onbekend is verder welke functie dhr. Jetten vervult bij de Belastingdienst en in hoeverre hij bevoegd is op dit punt mededelingen dan wel toezeggingen te doen. Voorts staat de stelling van eiser haaks op de specifieke conclusie van een medewerker van de gemeente Bergen in gedingstuk 16, dat op grond van de beschikbare stukken eiser over het jaar 1992 geen loonheffing AOW is afgedragen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser bij zijn verzoek dan ook geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat eiser in weerwil van hetgeen is gesteld in de besluiten van 26 juni 1995, toch alle premies AOW heeft betaald en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om op de eerdere besluiten terug te komen. Verweerder mocht dan ook volstaan met verwijzen naar die eerdere besluiten.”.
3. De Raad kan zich geheel vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets naar voren gebracht dat een ander licht op de zaak kan werpen. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2010.