ECLI:NL:CRVB:2010:BO9715

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4515 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar inzake AOW aanvraag

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant, die in Turkije woont, tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had op 1 juli 2009 geoordeeld dat het bezwaar van appellant tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet-ontvankelijk was, omdat het bezwaar te laat was ingediend. Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van 28 september 2007, waarin hem werd meegedeeld dat er geen vergoeding kon worden toegekend voor kosten die hij had gemaakt in verband met zijn aanvraag voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellant stelde dat hij op advies van Svb-medewerkers had gehandeld en dat de vertraging in de indiening van zijn bezwaar te wijten was aan de postbezorging naar Turkije.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de Svb het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad stelde vast dat het bezwaar te laat was ingediend, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de termijn zouden rechtvaardigen. De Raad benadrukte dat appellant zelf verantwoordelijk was voor de tijdige indiening van zijn bezwaar, en dat onbekendheid met de regelgeving binnen zijn risicosfeer viel. De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de beslissing van de rechtbank, waarbij het beroep van appellant gegrond werd verklaard, maar hij inhoudelijk niet in het gelijk werd gesteld.

De uitspraak werd gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, en werd openbaar uitgesproken op 30 december 2010.

Uitspraak

09/4515 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] in Turkije (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 08/1642 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 30 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 september 2007 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat geen vergoeding kan worden toegekend voor de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met zijn aanvraag voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), met uitzondering van een rentevergoeding als gevolg van te late betalingen.
1.2. Bij fax van 10 november 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 september 2007 en hierin uiteengezet dat medewerkers van de Svb hem hebben geadviseerd de door hem gemaakte kosten in verband met zijn aanvraag voor een ouderdomspensioen te declareren, aangezien het duidelijk was geworden dat deze kosten zijn ontstaan door nalatigheid van medewerkers van de Svb.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2008 heeft de Svb onder andere het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de vergoeding voor de gemaakte kosten ongegrond verklaard.
2.1. In beroep heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld bijzondere omstandigheden te vermelden die de te late indiening van zijn bezwaarschrift kunnen rechtvaardigen. Appellant heeft hierop geantwoord dat hij op aanraden van medewerkers van de Svb bezwaar heeft gemaakt en dat de telefoongesprekken die hierover gevoerd zijn de vertraging hebben veroorzaakt. Voorts heeft hij onder meer aangegeven dat zijn post via een postadres in Nederland naar Turkije verzonden wordt en dat de postbezorging in Turkije traag verloopt.
2.2. De rechtbank heeft -ambtshalve- de vraag beantwoord of de Svb het bezwaar van appellant terecht ontvankelijk heeft geacht. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant wordt aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:
De rechtbank acht niet aan twijfel onderhevig dat het bestreden besluit van 28 september 2007 uiterlijk daags daarna aan het door eiser opgegeven adres in Nederland is verzonden. Daarmee heeft de bekendmaking op juiste wijze plaatsgevonden en is de beroepstermijn op uiterlijk 29 september 2007 aangevangen. De laatste dag van de termijn was 9 november 2007. Het bezwaarschrift heeft eiser per fax verstuurd en is ontvangen door verweerder op 12 november 2007. Dit is drie dagen na afloop van de termijn. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn bezwaar dus te laat heeft ingediend bij verweerder.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven, indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Eiser heeft daartoe gesteld dat hij op aanraden van twee medewerkers van verweerder heeft gereageerd. Medewerkers van verweerder hebben ondanks toezeggingen met eiser contact op te nemen, nagelaten dit te doen. Bovendien kost de correspondentie door middel van de post via zijn postadres in Nederland tijd, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiser dat de correspondentie met verweerder tijd kostte, niet aangemerkt kan worden als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Er stond eiser niets in de weg om (zekerheidshalve) vast schriftelijk een pro-forma bezwaarschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken die ook onderaan het besluit van 28 september 2007 uitdrukkelijk is vermeld. Eiser heeft dit echter niet gedaan.
Nu verweerder het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2007 niet-ontvankelijk had moeten verklaren, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Daarmee wordt eiser inhoudelijk echter niet in het gelijk gesteld. De rechtbank moet zich onthouden van een inhoudelijk oordeel over het beroepschrift van eiser, nu reeds het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank zal met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren.
Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb het griffierecht aan eiser te vergoeden. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.”.
3.1. De Raad kan zich, zij het met inachtneming van hetgeen de Raad aantekent, vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Daarbij tekent de Raad aan dat het dossier, mede gelet op de bewoordingen van de in het besluit van 28 september 2007 vervatte en ook door de rechtbank vermelde bezwaarformule, geen aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling, waarvan de rechtbank kennelijk uitgaat, dat dit besluit niet op dezelfde dag zou zijn verzonden als waarop het is gedateerd. De Raad voegt hier nog aan toe dat onbekendheid met de regelgeving een omstandigheid betreft die binnen de risicosfeer van appellant valt. Voorts dat appellant zelf de keuze heeft gemaakt in Turkije te gaan wonen en een postadres in Nederland aan te houden, waardoor hij er zelf verantwoordelijk voor was dat zijn post op tijd werd doorgezonden.
3.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan -ook- de Raad niet toekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke grieven die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2010.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.J. van der Torn.
GdJ