[Appellant], wonende te [woonplaats] in Turkije (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 08/1642 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 30 december 2010
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.
1.1. Bij besluit van 28 september 2007 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat geen vergoeding kan worden toegekend voor de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met zijn aanvraag voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), met uitzondering van een rentevergoeding als gevolg van te late betalingen.
1.2. Bij fax van 10 november 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 september 2007 en hierin uiteengezet dat medewerkers van de Svb hem hebben geadviseerd de door hem gemaakte kosten in verband met zijn aanvraag voor een ouderdomspensioen te declareren, aangezien het duidelijk was geworden dat deze kosten zijn ontstaan door nalatigheid van medewerkers van de Svb.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2008 heeft de Svb onder andere het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de vergoeding voor de gemaakte kosten ongegrond verklaard.
2.1. In beroep heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld bijzondere omstandigheden te vermelden die de te late indiening van zijn bezwaarschrift kunnen rechtvaardigen. Appellant heeft hierop geantwoord dat hij op aanraden van medewerkers van de Svb bezwaar heeft gemaakt en dat de telefoongesprekken die hierover gevoerd zijn de vertraging hebben veroorzaakt. Voorts heeft hij onder meer aangegeven dat zijn post via een postadres in Nederland naar Turkije verzonden wordt en dat de postbezorging in Turkije traag verloopt.
2.2. De rechtbank heeft -ambtshalve- de vraag beantwoord of de Svb het bezwaar van appellant terecht ontvankelijk heeft geacht. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant wordt aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:
De rechtbank acht niet aan twijfel onderhevig dat het bestreden besluit van 28 september 2007 uiterlijk daags daarna aan het door eiser opgegeven adres in Nederland is verzonden. Daarmee heeft de bekendmaking op juiste wijze plaatsgevonden en is de beroepstermijn op uiterlijk 29 september 2007 aangevangen. De laatste dag van de termijn was 9 november 2007. Het bezwaarschrift heeft eiser per fax verstuurd en is ontvangen door verweerder op 12 november 2007. Dit is drie dagen na afloop van de termijn. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn bezwaar dus te laat heeft ingediend bij verweerder.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven, indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Eiser heeft daartoe gesteld dat hij op aanraden van twee medewerkers van verweerder heeft gereageerd. Medewerkers van verweerder hebben ondanks toezeggingen met eiser contact op te nemen, nagelaten dit te doen. Bovendien kost de correspondentie door middel van de post via zijn postadres in Nederland tijd, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiser dat de correspondentie met verweerder tijd kostte, niet aangemerkt kan worden als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Er stond eiser niets in de weg om (zekerheidshalve) vast schriftelijk een pro-forma bezwaarschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken die ook onderaan het besluit van 28 september 2007 uitdrukkelijk is vermeld. Eiser heeft dit echter niet gedaan.
Nu verweerder het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2007 niet-ontvankelijk had moeten verklaren, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Daarmee wordt eiser inhoudelijk echter niet in het gelijk gesteld. De rechtbank moet zich onthouden van een inhoudelijk oordeel over het beroepschrift van eiser, nu reeds het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank zal met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren.
Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb het griffierecht aan eiser te vergoeden. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.”.
3.1. De Raad kan zich, zij het met inachtneming van hetgeen de Raad aantekent, vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Daarbij tekent de Raad aan dat het dossier, mede gelet op de bewoordingen van de in het besluit van 28 september 2007 vervatte en ook door de rechtbank vermelde bezwaarformule, geen aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling, waarvan de rechtbank kennelijk uitgaat, dat dit besluit niet op dezelfde dag zou zijn verzonden als waarop het is gedateerd. De Raad voegt hier nog aan toe dat onbekendheid met de regelgeving een omstandigheid betreft die binnen de risicosfeer van appellant valt. Voorts dat appellant zelf de keuze heeft gemaakt in Turkije te gaan wonen en een postadres in Nederland aan te houden, waardoor hij er zelf verantwoordelijk voor was dat zijn post op tijd werd doorgezonden.
3.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan -ook- de Raad niet toekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke grieven die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2010.
(get.) T.J. van der Torn.