ECLI:NL:CRVB:2010:BP0584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6600 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag bijzondere bijstand transportkosten

Appellante heeft bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor transportkosten van haar goederen uit een opslag naar haar woning. Deze aanvraag werd op 11 september 2008 afgewezen, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard. Het College baseerde dit op het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van een eerdere afwijzing in 2007.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat een latere aanvraag zonder nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, Awb, kan worden afgewezen. De enkele intentie om openheid te verschaffen werd niet als nieuw feit aangemerkt.

In hoger beroep stelde appellante dat haar bereidheid om alsnog volledige duidelijkheid te verschaffen als nieuw feit moet worden gezien, wat het College verplicht zou hebben tot herbeoordeling. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat deze bereidheid geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt.

De Raad concludeerde dat het College terecht de aanvraag heeft afgewezen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag bijzondere bijstand voor transportkosten.

Uitspraak

09/6600 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 november 2009, (08/8608) (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 08/5672 WWB, plaatsgevonden op 9 november 2010. Voor appellante is verschenen mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden, met reg. nr. 08/5672 WWB. Voorts gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 7 augustus 2008 heeft appellante bij het College opnieuw bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aangevraagd voor transportkosten van haar goederen uit een opslag in [gemeente] naar haar woning in [woonplaats].
1.2. Bij besluit van 11 september 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het College bij besluit van 10 november 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van de eerdere afwijzing bij besluit van 28 augustus 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat, in een situatie waarin een aantal aanvragen elkaar opvolgen, als uitgangspunt geldt dat de latere bijstandsaanvraag is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij deze latere aanvraag betrekking heeft op een latere ingangsdatum dan de eerdere aanvraag. De rechtbank merkt de enkele intentie om openheid van zaken te verschaffen niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid aan, zodat het College bevoegd was de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissing van 5 november 2007 (lees: 28 augustus 2007).
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de aanvraag van 28 maart 2007 is afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt. Het uiten van de bereidheid om alsnog volledige duidelijkheid te verschaffen dient te worden beschouwd als nieuw feit of omstandigheid die noopt tot het alsnog in behandeling nemen van die aanvraag.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor transportkosten in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij uitvoerig ingegaan op de door appellante naar voren gebrachte stellingen.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellante in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in beroep - naar voren heeft gebracht, biedt geen aanknopingspunten om in andere zin te oordelen. Ook de Raad is van oordeel dat de enkele bereidheid om de benodigde informatie te verstrekken niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Het College was dus bevoegd de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit van 28 augustus 2007. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) C. de Blaeij.
JvS