ECLI:NL:CRVB:2011:BP0582

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4274 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54, derde lid, aanhef en onder a, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang bij intrekking woonkostentoeslag

Appellante ontving een woonkostentoeslag op grond van de WWB, die werd ingetrokken en teruggevorderd nadat zij niet tijdig huurtoeslagbesluiten van de Belastingdienst had overgelegd. Tevens werd een maatregel opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij de inlichtingenverplichting niet had geschonden en dat de intrekking en terugvordering op onjuiste wettelijke gronden berustten. De Raad oordeelde echter dat het belang van appellante onvoldoende was omdat het resultaat van het beroep niet tot een gunstiger uitkomst zou leiden en appellante geen schadevergoeding had gevorderd.

De Raad benadrukte dat een principieel belang niet volstaat om procesbelang aan te nemen en dat genoegdoening geen in rechte te honoreren belang is. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.

Uitspraak

09/4274 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 juni 2009, 09/203 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde (hierna: College)
Datum uitspraak: 4 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Voor appellante is mr. Visser verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D.G. de Vries, werkzaam bij de gemeente Vlagtwedde.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 23 november 2007 is appellante ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) een woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 164,-- per maand. In het besluit is aangegeven dat de woonkostentoeslag wordt verleend zolang appellante geen huurtoeslag van de Belastingdienst ontvangt en voorts dat zij het besluit waarbij haar huurtoeslag wordt toegekend, per ommegaande bij haar contactpersoon dient in te leveren.
1.2. Bij besluiten van 18 en 29 januari 2008 heeft de Belastingdienst appellante over de periode van 1 november 2007 tot en met 31 december 2007 een huurtoeslag van € 167,-- per maand, respectievelijk over 2008 een huurtoeslag van € 170,-- per maand toegekend.
1.3. Omdat appellante de besluiten van de Belastingdienst van 18 en 29 januari 2008 niet onverwijld heeft overgelegd en in een telefoongesprek op 12 juni 2008 aan haar contactpersoon zou hebben meegedeeld dat haar tot 1 juli 2008 geen huurtoeslag wordt verstrekt, heeft het College bij besluit van 26 juni 2008 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de woonkostentoeslag met ingang van 1 november 2007 ingetrokken en de over de periode van 1 november 2007 tot en met mei 2008 verleende toeslag ten bedrage van € 1.148,-- van appellante teruggevorderd. Omdat appellante naar het oordeel van het College de op haar rustende inlichtingenverplichting had geschonden, heeft het College voorts vastgesteld dat de bijstand van appellante voor de duur van een maand met € 120,-- moet worden verlaagd. Omdat appellante geen recht op uitkering meer had, heeft het College de afstemming niet kunnen toepassen.
1.3. Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij erkent dat het College bevoegd is de haar verleende woonkostentoeslag in te trekken en terug te vorderen en dat zij deze kosten moet terugbetalen. Zij is evenwel van oordeel dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, zodat de intrekking en terugvordering op onjuiste wettelijke bepalingen zijn gebaseerd en het College ten onrechte heeft bepaald dat haar een maatregel zou moeten worden opgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het (hoger) beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.
4.2. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat appellante, die inmiddels de leeftijd van 66 jaar heeft bereikt, niet alsnog een maatregel is opgelegd. Het belang van appellante bij een uitspraak van de Raad is volgens de gemachtigde gelegen in genoegdoening.
4.3. Naar het oordeel van de Raad kan genoegdoening niet als een in rechte te honoreren belang worden aangemerkt. Voorts heeft appellante geen schadevergoeding gevorderd. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante onvoldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het geding. Hiermee is gegeven dat het hoger beroep niet- ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) N.M. van Gorkum.
RB