ECLI:NL:CRVB:2011:BP1450

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1856 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante is sinds september 2006 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt. Het UWV stelde bij besluit van augustus 2008 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar in januari 2009, gebaseerd op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante tegen het bezwaar ongegrond, omdat het besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onderbouwd met een huisartsenjournaal en verwijzing naar vervolgbehandeling.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts de medische situatie zorgvuldig hadden beoordeeld en dat het huisartsenjournaal geen aanwijzingen gaf voor een ernstiger beperking ten tijde van het besluit. De Raad bevestigde dat de vastgestelde belastbaarheid en geschiktheid voor de maatgevende arbeid juist waren vastgesteld en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/1856 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2010, 09/718 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij schrijven van 26 november 2010 een medisch stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellante is - met bericht vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalwijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 12 september 2006 met psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als algemeen medewerker.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 29 augustus 2008 vastgesteld dat voor appellante ingaande 9 november 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante vanwege een stemmingsstoornis beperkt is in haar belastbaarheid. Appellante wordt ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting vastgesteld op nihil.
1.3. Bij besluit van 27 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 augustus 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de door hem gedane bevindingen bij lichamelijk en psychisch onderzoek in bezwaar en ontvangen informatie van de behandelend psychiater E. Heitkönig, waarin vermeld is dat appellante bekend is met een matige depressie van chronische aard, geen argumenten gevonden om de door de verzekeringsarts voor appellante vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.
3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv haar belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Appellante heeft, onder toezending van een kopie van het huisartsenjournaal en de daarin vermelde overdracht door Indigo naar NOAGG ter verdere behandeling, betoogd dat zij ten tijde in geding op psychische gronden zwaarder beperkt te achten was dan is vastgesteld door het Uwv.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts onderzoek heeft verricht naar de psyche van appellante en heeft vastgesteld dat sprake is van milde stemmingsklachten bij goede motivatie tot werken. Er zijn, zo stelde de verzekeringsarts, bescheiden beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De somatische klachten van appellante hebben de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven beperkingen vast te stellen omdat uit tractusanamnese niet gebleken was van duidelijk afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals hiervoor onder 1.3 is overwogen, geen argumenten gevonden om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De Raad is uit het in hoger beroep ingezonden huisartsenjournaal niet gebleken dat het Uwv de ernst van de psychische beperkingen van appellante heeft miskend. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsartsen bekend waren met de in het huisartsenjournaal vermelde psychosociale problemen waarvoor doorverwijzing heeft plaatsgevonden naar het NOAGG. De bezwaarverzekeringsarts heeft reeds bij rapport van 28 april 2009 uiteengezet dat het feit dat appellante een vervolgbehandeling zou gaan volgen niet betekent dat daarmee is aangetoond dat haar belastbaarheid is overschat. De Raad onderschrijft de in dat rapport vermelde overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad overweegt tot slot dat hetgeen verder in het huisartsenjournaal is vermeld geen betrekking heeft op medische situatie van appellante ten tijde in geding.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde medische beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 6 augustus 2008 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) N.S.A. El Hana.
KR