ECLI:NL:CRVB:2011:BP1643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens onvoldoende arbeidsinzet en onherroepelijke maatregelen
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had de bijstand van appellant meerdere malen verlaagd vanwege onvoldoende medewerking aan arbeidsactiviteiten. Tevens werd de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag afgewezen omdat appellant gedurende de referteperiode van 60 maanden onvoldoende had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.
Appellant maakte geen bezwaar tegen eerdere besluiten die de verlaging van de bijstand betroffen en stelde ook geen beroep in tegen een besluit dat een eerdere verlaging handhaafde. In hoger beroep voerde appellant aan dat de opgelegde maatregelen ten onrechte waren, maar hij had dit in eerdere procedures moeten aanvoeren. De Raad oordeelde dat deze grondslag in het huidige hoger beroep niet meer kan worden ingebracht omdat de besluiten onherroepelijk zijn geworden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen de afwijzing van de langdurigheidstoeslag ongegrond verklaarde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.F. Bandringa op 18 januari 2011.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd omdat appellant onvoldoende arbeidsinzet heeft getoond en de opgelegde maatregelen onherroepelijk zijn.