ECLI:NL:CRVB:2011:BP1938

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-532 WAZ + 10-5279 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAZ-uitkering wegens ontoereikende arbeidskundige grondslag

Appellant, voormalig directeur-grootaandeelhouder, kreeg een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2007 stelde het UWV dat appellant geschikt was voor bepaalde functies met een beperkte arbeidsduur van 6 uur per dag. De uitkering werd daarop aangepast, maar appellant maakte bezwaar tegen de gekozen functies en de onderliggende arbeidskundige beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de functies waarop de schatting was gebaseerd niet in een parttime variant van 6 uur per dag beschikbaar zijn volgens het CBBS en bevestigde het UWV dit ook. Hierdoor was de arbeidskundige grondslag ontoereikend en konden de besluiten niet gehandhaafd blijven.

De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept het oorspronkelijke besluit van 23 januari 2008. De medische gronden werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat de arbeidskundige tekortkomingen doorslaggevend waren. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en herroept het oorspronkelijke besluit over de WAZ-uitkering wegens ontoereikende arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

10/532 WAZ + 10/5279 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 december 2009, 08/1943 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 23 september 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Namens appellant is verschenen mr. A.J. Lorié-Beugeling, advocaat te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een bedrijf in aluminium bouwsystemen, is op 1 maart 2001 met heupklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant na afloop van de wachttijd een uitkering in gevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend. Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In november 2007 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden. Het Uwv heeft appellant geschikt geacht voor werkzaamheden waarbij beide heupen niet zwaar en intensief belast worden. Het Uwv heeft voorts aangenomen dat appellant vanwege KNO-problematiek beperkt is in zijn belastbaarheid en dat appellant vanwege continue pijnklachten een verhoogde recuperatiebehoefte heeft waardoor hij niet meer dan 6 uur per dag belastbaar is. Het Uwv heeft appellant om die reden ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 48,3%. Bij besluit van 23 januari 2008 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant ingaande 22 januari 2008 vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 23 april 2008 (hierna: betreden besluit 1) zijn besluit van 23 januari 2008 gehandhaafd. Dit besluit berust op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.
2.1. In beroep heeft het Uwv de aan de schatting ten grondslag gelegde functie ‘schadecorrespondent’ (sbc-code 516080) niet langer gehandhaafd voor de schatting, waarna de schatting gebaseerd is op de - reeds eerder aan appellant voorgehouden - functies ‘telefonist, receptionist’ (sbc-code 315120), ‘administratief medewerker (beginnend)’ (sbc-code 315090) en ‘boekhouder, kassier, loonadministrateur’ (sbc-code 515070).
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust dat besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat bestreden besluit 1 op een ondeugdelijke medische grondslag berust. Naar de mening van appellant is het medisch onderzoek door het Uwv niet voldoende zorgvuldig geweest en heeft het Uwv zijn medische beperkingen onderschat. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant betoogd dat de voor hem geselecteerde functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid. Appellant heeft daartoe - onder meer - aangevoerd dat de geduide functies een urenomvang kennen van maximaal 8 uur per dag, terwijl de verzekeringsarts in zijn rapport van 1 november 2007 had aangegeven dat hij niet meer dan zes uur per dag te belasten is met arbeid.
3.2. Het Uwv heeft, naar aanleiding van een vraag van de Raad over de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1, het in rubriek I genoemde besluit van 23 september 2010 genomen (hierna: bestreden besluit 2). Bij dat besluit heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 23 januari 2008 gemaakte bezwaar alsnog gegrond geacht en beslist dat appellants WAO-uitkering ingaande 23 maart 2008 vastgesteld wordt naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Dit besluit berust op nader arbeidskundig onderzoek waarbij de bezwaararbeidsdeskundige heeft onderzocht of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies verricht kunnen worden in een urenomvang van 6 uur per dag. Daaruit volgde dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie ‘telefonist, receptionist’ (sbc-code 315120) vanwege de urenomvang niet langer gehandhaafd kon worden voor de schatting. De functie ‘medewerker bank, kassier bank’ (sbc-code 516070) werd wel passend geacht. Ten aanzien van de functies ‘administratief medewerker (beginnend)’ (sbc-code 315090) en ‘boekhouder, kassier, loonadministrateur’ (sbc-code 515070) heeft de bezwaararbeidsdeskundige gesteld dat hem uit nader overleg met een arbeidskundige analist Regio Oost en een medewerker personeelszaken op het Uwv Kantoor Eindhoven gebleken is dat die functies ook binnen het Uwv voorkomen en aldaar verricht kunnen worden op variabele tijden, zo ook in een urenomvang van 6 uur per dag. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functies om deze reden passend geacht. Het verlies aan verdiencapaciteit is door de bezwaararbeidsdeskundige op grond van de drie resterende functies vastgesteld op 62,4%.
3.3. Appellant heeft betoogd dat voor de functiebelasting uitgegaan dient te worden van de juistheid van de in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) vermelde gegevens, tenzij aannemelijk is dat deze gegevens niet juist zijn. Uit de resultaat functiebelasting blijkt naar de mening van appellant dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies een urenomvang kennen van acht uur per dag. Door appellant wordt gesteld dat het Uwv met het onder 3.2 vermelde arbeidskundig onderzoek niet heeft aangetoond dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de datum in geding in het CBBS voorkomen in een urenomvang van zes uur per dag. De functies zijn om deze reden niet passend te achten naar de mening van appellant.
3.4. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv desgevraagd bevestigd dat uit het CBBS niet blijkt dat de functies ‘administratief medewerker (beginnend)’ (sbc-code 315090) en ‘boekhouder, kassier, loonadministrateur’ (sbc-code 515070) beschikbaar zijn in een parttime variant, die aan de gestelde arbeidsduur van appellant voldoet. Voorts heeft het Uwv bevestigd dat het er sterk op lijkt dat er geen andere functies te duiden zijn met parttime mogelijkheden die wel tegemoet komen aan de voor appellant vastgestelde urenbeperking.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv met betreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat bestreden besluit 1 niet kan worden gehandhaafd vanwege gebreken in de arbeidskundige grondslag ervan. De aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten dient, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 dient eveneens te worden vernietigd.
4.2. Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen betreden besluit 2.
4.3. Hetgeen hiervoor in 3.4 is vermeld leidt de Raad tot het oordeel dat de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 als ontoereikend moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de Raad dient te worden aangenomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies administratief medewerker (beginnend)’ (sbc-code 315090) en ‘boekhouder, kassier, loonadministrateur’ (sbc-code 515070) niet voorkomen in het CBBS in een urenomvang van 6 uur per dag. Nu deze functies niet verricht kunnen worden in een urenomvang die aan de beperkte arbeidsduur tot 6 uur per dag van appellant voldoet, kunnen deze functies niet als voor appellant geschikt worden aanvaard. Deze functies dienen te vervallen voor de schatting, waardoor er onvoldoende functies resteren om de theoretische schatting op te baseren. Het beroep tegen bestreden besluit 2 dient om deze reden gegrond verklaard te worden en dit besluit dient te worden vernietigd. Tevens ziet de Raad hierin aanleiding om het (primaire) besluit van 23 januari 2008, waarbij de WAZ-uitkering is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, te herroepen.
4.4. De door appellant aangevoerde medische gronden kunnen om deze reden onbesproken blijven.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het tegen besluit 2 gericht geachte beroep gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 23 januari 2008;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1518,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierrecht van in totaal € 149,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) N.S.A. El Hana.
NK