ECLI:NL:CRVB:2011:BP2216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4532 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 50 lid 3 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens werkzaamheden en inkomsten uit arbeid

Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd geschorst nadat bleek dat hij vanaf 25 april 2007 inkomsten uit arbeid had genoten. Het UWV stelde een onderzoek in en schortte de uitkering per 1 maart 2009 op. Appellant maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV.

De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen de schorsing ongegrond, stellende dat er duidelijke aanwijzingen waren dat appellant werkzaamheden had verricht en inkomsten had genoten. Ook oordeelde de rechtbank dat het UWV de redelijke termijn niet had overschreden, mede omdat appellant niet de benodigde loongegevens had verstrekt.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere bezwaren herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep deelt de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een procesveroordeling. De schorsing van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot, en het UWV de redelijke termijn niet overschreed.

Uitspraak

10/4532 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/7586 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum: 26 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). Nadat het Uwv ermee bekend was geworden dat appellant met ingang van 25 april 2007 inkomsten heeft gehad uit arbeid, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar het recht van appellant op een WAO-uitkering. Hangende dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2009 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 2009 geschorst.
1.2. Bij besluit van 17 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn opvatting dat sprake is van duidelijke aanwijzingen dat appellant vanaf 25 april 2007 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten uit arbeid heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv derhalve met inachtneming van artikel 50, derde lid, van de WAO terecht overgegaan tot schorsing van de WAO-uitkering van appellant.
Nu appellant de loongegevens die volgens het Uwv nodig zijn voor een beoordeling in het kader van de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO nog niet heeft overgelegd, heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv met de duur van de schorsing de redelijke termijn heeft overschreden.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn bij de rechtbank naar voren gebrachte beroepsgronden herhaald.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad deelt de overwegingen die de rechtbank aan de uitgevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd en maakt deze tot de zijne. Appellant heeft in hoger beroep niets naar voren gebracht dat de Raad tot een ander oordeel dan de rechtbank leidt.
4.2. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een procesveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.D.F. de Moor.
NK