ECLI:NL:CRVB:2011:BP2216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens werkzaamheden en inkomsten uit arbeid
Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd geschorst nadat bleek dat hij vanaf 25 april 2007 inkomsten uit arbeid had genoten. Het UWV stelde een onderzoek in en schortte de uitkering per 1 maart 2009 op. Appellant maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV.
De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen de schorsing ongegrond, stellende dat er duidelijke aanwijzingen waren dat appellant werkzaamheden had verricht en inkomsten had genoten. Ook oordeelde de rechtbank dat het UWV de redelijke termijn niet had overschreden, mede omdat appellant niet de benodigde loongegevens had verstrekt.
In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere bezwaren herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep deelt de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een procesveroordeling. De schorsing van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot, en het UWV de redelijke termijn niet overschreed.