ECLI:NL:CRVB:2011:BP2219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loongerelateerde WGA-uitkering en geschiktheid functies bij arbeidsongeschiktheid
Appellant werd door het UWV met ingang van 25 september 2006 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende medisch gemotiveerd was en bepaalde dat het UWV opnieuw moest beslissen. Na aanvullend verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek handhaafde het UWV het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit hernieuwde besluit ongegrond, stellende dat de beperkingen van appellant adequaat waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, dat het onderzoek onvoldoende was en dat de functies niet geschikt waren, evenals dat hij ten onrechte geen vergoeding van bezwaarkosten ontving.
De Raad oordeelde dat het aanvullende psychiatrische onderzoek een chronische PTSS en andere psychische beperkingen bevestigde, welke adequaat in de FML waren verwerkt inclusief urenbeperkingen en concentratieproblemen. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd als zorgvuldig beoordeeld, waarbij een nieuw lichamelijk onderzoek niet noodzakelijk werd geacht. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de functies en wees de vergoeding van bezwaarkosten af omdat geen kosten waren aangetoond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering bevestigd.