ECLI:NL:CRVB:2011:BP2224

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1190 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inkomsten uit kamerverhuur aangemerkt als inkomsten uit arbeid bij toepassing WAZ

Betrokkene ontving een WAZ-uitkering en verhuurde kamers in een pand dat hij tevens bewoonde. In de aangifte werden de inkomsten uit verhuur opgegeven als vermogen (box 3), wat door de fiscus werd geaccepteerd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) besloot echter dat deze inkomsten als inkomsten uit arbeid moesten worden aangemerkt, omdat betrokkene beheers- en onderhoudswerkzaamheden verrichtte.

De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd af te wijken van de fiscale keuze en vernietigde het besluit. In hoger beroep stelde het UWV dat de verhuur grootschalig was en dat de activiteiten van betrokkene het normaal vermogensbeheer overstegen. Betrokkene stelde dat de werkzaamheden gering waren en niet meer dan normaal beheer.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat betrokkene meerdere panden verhuurde, beheersmatige activiteiten verrichtte, en dat de situatie niet strookte met de fiscale keuze. De Raad oordeelde dat er bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigen af te wijken van de fiscale keuze en dat de inkomsten uit kamerverhuur als inkomsten uit arbeid moesten worden aangemerkt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit hersteld en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de inkomsten uit kamerverhuur worden als inkomsten uit arbeid aangemerkt.

Uitspraak

10/1190 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 januari 2010, 08/2842 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 19 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas. Namens betrokkene zijn verschenen als gemachtigden mr. H.B. Wubbeling en mr. H.L. van der Aa.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Betrokkene is eigenaar tevens bewoner van het pand [adres 1]. Het pand bevat een winkel en een aantal kamers, welke door betrokkene worden verhuurd. In zijn aangifte over 2005 heeft betrokkene de inkomsten uit verhuur opgegeven in box 3 als vermogen. De fiscus is niet van deze opgave afgeweken.
1.2. Bij besluit van 20 november 2007 heeft appellant bepaald dat de WAZ-uitkering van betrokkene over het jaar 2005 met toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ niet tot uitbetaling komt in verband met inkomsten uit arbeid. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant stelt zich op het standpunt dat betrokkene ten behoeve van de kamerverhuur van het pand [adres 1] beheers- en onderhoudswerkzaamheden verrichtte, zodat in afwijking van de fiscale keuze het inkomen uit kamerverhuur over het jaar 2005 is aan te merken als inkomsten uit arbeid.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd door uitsluitend op basis van hetgeen enkele huurders hebben verklaard te concluderen dat er sprake is geweest van activiteiten die bijzondere omstandigheden opleveren om af te wijken van de door de fiscus aanvaarde keuze van betrokkene om inkomsten voortkomend uit het pand [adres 1] als voortvloeiend uit vermogen in box 3 aan te merken. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat, nu betrokkene zelf bewoner is van het pand, hij ook belang heeft het pand in goede staat te houden en in dat kader onderhoudswerkzaamheden heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat sprake zou zijn van zodanige uitgebreide (onderhouds)activiteiten in het kader van verhuur dat gesproken moet worden van arbeid uit bedrijfsvoering in plaats van vermogensbeheer.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep erop gewezen dat betrokkene vanuit zijn WAZ-uitkering diverse activiteiten als zelfstandige onderneemt, zoals de verhuur van onroerende goederen. De verhuur is zodanig grootschalig dat alleen al daarom niet goed denkbaar is dat er geen arbeid moet worden verricht. Omdat betrokkene voor de verhuur van zijn panden beheers- en onderhoudswerkzaamheden verricht, heeft appellant de opbrengst van de kamerverhuur van het pand aan de [adres 1], welke opbrengst alleen al ruimschoots meer dan betrokkenes maatmaninkomen bedroeg, aangemerkt als inkomsten uit arbeid. De omstandigheid dat betrokkene zelf ook bewoner is van een van de panden en belang heeft dat pand in goede staat te houden, is niet doorslaggevend. De activiteiten die betrokkene verricht leveren dan ook bijzondere omstandigheden op om af te wijken van de fiscale keuze.
3.2. Betrokkene heeft aangevoerd dat het enkele beheer van het pand aan de [adres 1] onvoldoende is om te kunnen beslissen dat sprake is van inkomen uit arbeid. De werkzaamheden die hij verricht ten behoeve van de verhuur van de kamers zijn gering. Uit de door de kamerbewoners afgelegde verklaringen blijkt niet van zodanige werkzaamheden dat deze het normaal vermogensbeheer overstijgen.
4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verhandelde ter zitting stelt de Raad allereerst vast dat het geding zich beperkt tot de vraag of betrokkenes inkomsten uit de verhuur van kamers van het pand [adres 1] dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van WAZ. Tussen partijen is niet in geschil dat op zichzelf bezien deze inkomsten over 2005 hoger zijn dan het maatmaninkomen.
4.2. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad de in geding zijnde vraag bevestigend. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad komt bij de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomen uit arbeid moeten worden aangemerkt in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2005, LJN AU9534).
4.4. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat betrokkene in 2005 behalve het pand [adres 1] ook de panden [adres 2], [adres 3] en [adres 4] in eigendom had en dat deze panden eveneens door hem werden verhuurd. Uit de verklaringen van de huurder van de winkel [adres 1] alsmede van twee kamersbewoners van dat pand blijkt dat betrokkene in zijn hoedanigheid van verhuurder onderhoudswerkzaamheden verricht ten behoeve van dit pand. Daarnaast kan er niet aan voorbij worden gegaan dat betrokkene al de vermelde panden voor het grootste deel met geleend kapitaal heeft gefinancierd en dat hij met betrekking tot de betreffende panden beheersmatige activiteiten verricht zoals het onderhouden van contacten met (potentiële) huurders, het voeren van administratie en het incasseren van de huurpenningen. Dat betrokkene, die het verrichten van deze activiteiten op zich niet ontkent, zoals hij zelf stelt, in zijn beheer- en onderhoudsactiviteiten weinig tijd en energie steekt, doet er niet aan af dat het voldoende aannemelijk is dat deze activiteiten het normaal vermogensbeheer overstijgen. De voorhanden gegevens rechtvaardigen naar het oordeel van de Raad de conclusie dat op bedrijfsmatige wijze inkomsten worden gegenereerd door betrokkene. De Raad volgt het Uwv dan ook in het standpunt dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de fiscale keuze.
4.5. Naar het oordeel van de Raad is dus gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de fiscale keuze bij de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ in redelijkheid niet tot uitgangspunt had kunnen worden genomen.
4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, kan niet in stand blijven en het beroep tegen dit besluit moet ongegrond worden verklaard.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn. als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
NK