ECLI:NL:CRVB:2011:BP2964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%, waarbij zij volgens eerdere beoordelingen in staat werd geacht om vier uur per dag te werken. Het UWV trok de uitkering per 30 augustus 2006 in, omdat uit medisch onderzoek bleek dat een urenbeperking niet langer noodzakelijk was en een verbetering van haar psychische toestand verwacht kon worden.
De rechtbank vernietigde in eerste aanleg het besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering, waarna de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigde en het UWV opdroeg om nader onderzoek te doen, waaronder het inwinnen van informatie bij de huisarts. Na aanvullend onderzoek handhaafde het UWV de intrekking van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige rapportages voldoende onderbouwing boden dat appellante zonder urenbeperking arbeid kon verrichten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar frequente blaasontstekingen en psychische klachten een urenbeperking noodzakelijk maakten, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische rapporten, inclusief informatie van de uroloog, onvoldoende onderbouwing boden voor een urenbeperking. Appellante werd geacht gemiddeld acht uur per dag te kunnen werken. Ook achtte de Raad ten minste drie functies medisch geschikt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.