ECLI:NL:CRVB:2011:BP4597

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4827 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArtikel 21 BeroepswetArtikel 4 Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig betaald griffierecht in hoger beroep WWB-zaken

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen in een WWB-zaak, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellant heeft vervolgens verzet gedaan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en aangevoerd dat hij het verzoek om uitstel van betaling tijdig had ingediend en dat er onduidelijkheid was over de betaling vanwege problemen met bijzondere bijstand.

De Raad overweegt dat het verzoek om uitstel van betaling op 10 november 2010 is ontvangen, terwijl de betalingstermijn op 8 november 2010 was verstreken. Op grond van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 moet een verzoek om verlenging van een termijn worden afgewezen indien het na het verstrijken van de termijn is ontvangen. Verder blijkt uit de stukken dat appellant voldoende was geïnformeerd over zijn betalingsverplichtingen en dat hij het verzoek om bijzondere bijstand later heeft ingetrokken.

Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van het verzet. De uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs en uitgesproken op 15 februari 2011.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht na het verstrijken van de termijn is ingediend.

Uitspraak

10/4827 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 augustus 2010, 10/1223 en 10/354 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 16 november 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 16 november 2010 heeft appellant verzet gedaan.
De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 1 februari 2011. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 16 november 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald.
In het verzetschrift is aangevoerd dat appellant het verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht in de week vóór 10 november 2010 heeft geschreven en ter post heeft bezorgd, dat bij hem - vanwege betalingsperikelen rond de indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen - onduidelijkheid is ontstaan over de betaling van het griffierecht in de bodemzaak en dat de procedure bij de gemeente Apeldoorn om bijzondere bijstand te verkrijgen voor het verschuldigde griffierecht traag en met veel tegenwerking is verlopen. Appellant verzoekt hem alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te betalen.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 wordt een verzoek om verlenging van een termijn in ieder geval afgewezen indien het na het verstrijken van de gestelde termijn is ontvangen. Het verzoek om uitstel van appellant is op 10 november 2010 bij de Raad ingekomen, terwijl de - eerder verlengde - betalingstermijn op 8 november 2010 afliep. Reeds hierom kon het verzoek om uitstel van appellant niet worden ingewilligd.
Hetgeen overigens is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt dat appellant steeds bij afzonderlijke geschriften is benaderd en geïnformeerd over zijn betalingsverplichtingen in het kader van de bodemzaak en de verzochte voorlopige voorziening. Daarover kon ten tijde hier van belang dan ook redelijkerwijs geen onduidelijkheid (meer) bestaan. Overigens is uit nadere berichtgeving van de zijde van de gemeente Apeldoorn af te leiden dat appellant zijn verzoek om bijzondere bijstand ter betaling van het griffierecht kennelijk op 5 november 2010 om hem moverende redenen weer heeft ingetrokken.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) C. de Blaeij.
TM