ECLI:NL:CRVB:2011:BP5410

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-164 ZW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 22 lid 4 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemachtigde van verzoekster werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €111,00 binnen de gestelde termijn van twee weken.

Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijnen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek dan ook niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Ch. van Voorst en griffier D.W.M. Kaldenhoven op 16 februari 2011 in het openbaar.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

11/164 ZW-VV
Centrale Raad van Beroep
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in geding tussen:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Datum uitspraak: 16 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft als gemachtigde van verzoekster bij beroepschrift van 3 december 2010 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 oktober 2010, 10/6265 en 10/6059.
Bij brief van 9 januari 2011 is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het eerste lid van artikel 23 van Pro de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.
Bij schrijven van 17 januari 2011, verzonden op 18 januari 2011, is de gemachtigde van verzoekster erop gewezen dat ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 111,00 is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan.
Bij aangetekende brief van 1 februari 2011 is de gemachtigde van verzoekster nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.
Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM