ECLI:NL:CRVB:2011:BP7221

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4452 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de geschiktheid voor arbeid na ziekte en beëindiging van ziekengeld

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant, die als tuinbouwmedewerker werkzaam was en zich op 19 mei 2008 ziek meldde vanwege verschillende lichamelijke klachten. De arbeidsovereenkomst werd per 31 juli 2008 ontbonden. Na een medisch onderzoek door verzekeringsarts R. Gart op 10 september 2008, werd geconcludeerd dat appellant vanaf 11 september 2008 weer geschikt was voor zijn werk. Het Uwv beëindigde daarop het recht op ziekengeld. Appellant ging in beroep tegen deze beslissing, maar de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 9 maart 2011 behandeld. De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe. Beide artsen concludeerden dat er geen ernstige, arbeidsbelemmerende psychiatrische ziekte was vastgesteld, afgezien van spanningsklachten gerelateerd aan een arbeidsconflict. Ook werden er geen objectiveerbare rugklachten gevonden. De Raad bevestigde dat de maatstaf arbeid was aangepast, maar dat dit geen invloed had op het standpunt van het Uwv over het recht op ziekengeld.

De Raad oordeelde dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 11 september 2008 had beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om proceskosten te vergoeden, aangezien er geen termen aanwezig waren om dit te doen.

Uitspraak

09/4452 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2009, 08/5364 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. van Voolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Voolen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker voor 40 uur in de week toen hij zich voor dit werk per 19 mei 2008 heeft ziek gemeld wegens verschillende lichamelijke klachten, waarna de arbeidsovereenkomst vervolgens door de kantonrechter per 31 juli 2008 is ontbonden. Naar aanleiding van voormelde ziekmelding heeft appellant op 10 september 2008 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts R. Gart. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 11 september 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als tuinbouwmedewerker. Bij besluit van 10 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 11 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 10 september 2008 een bezwaarschrift ingediend. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 25 november 2008
(hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Gart bij lichamelijk en psychisch onderzoek geen afwijkingen heeft kunnen constateren. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe dossierstudie verricht en appellant op het spreekuur van 11 november 2008 onderzocht. Van de Merwe is, evenals de verzekeringsarts, tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een ernstige, arbeidsbelemmerende psychiatrische ziekte, behoudens spanningsklachten bij een arbeidsconflict. Voor de rugklachten is bij het eigen lichamelijk onderzoek geen objectiveerbaar substraat gevonden. De klachten zijn dan ook te duiden als aspecifieke chronische rugklachten. Deze klachten zijn, mede gelet op de aard en de zwaarte van het laatst verrichte werk, waarbij geen sprake is van erg zwaar tillen en sjouwen, echter geen reden om te veronderstellen dat appellant beperkt zou zijn voor de functie van tuinbouwmedewerker voor 40 uur in de week, aldus de bezwaarverzekeringsarts.
3.4. De gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd – die kort weergegeven neerkomen op het standpunt dat het onderzoek naar de werkomstandigheden van appellant niet zorgvuldig is geweest – leiden naar het oordeel van de Raad niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat naar aanleiding van een nader onderzoek naar de arbeidsomstandigheden door het Uwv op 13 mei 2009 de maatstaf arbeid is aangepast naar tuinbouwmedewerker/voorman. Deze aanpassing levert echter geen wijziging op in het standpunt van het Uwv ten aanzien van het recht op ziekengeld per 11 september 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze aangepaste maatstaf, zoals blijkt uit de rapportage van 19 mei 2009, beoordeeld in het licht van de eerdere medische onderzoeksbevindingen. Van de Merwe ziet in de rugklachten geen aanleiding tot het veronderstellen van arbeidsbeperkingen, nu in de functie van voorman de fysieke belasting eerder minder dan méér zal zijn. Wat betreft de spanningsklachten kan worden gesteld dat in de functie van meewerkend voorman de psychische belasting niet als erg hoog kan worden gekarakteriseerd, waarbij de bezwaarverzekeringsarts voorts nog heeft opgemerkt dat uit de stukken duidelijk blijkt dat in de periode voor het ontslag het werk als voorman de facto niet meer bestond. Nu de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd dat het werk als voorman voor de datum in geding door een wisseling in de oogstploegen niet meer aan de orde was, acht de Raad de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen. Hierbij acht de Raad nog van belang dat, gelet op de medische kaart, ook de verzekeringsarts Gart op de hoogte was van de omstandigheid dat appellant afwisselend bij het laden en lossen als voorman fungeerde.
4. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 11 september 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.
(get.) A.A.H. Schifferstein.
(get.) N.S.A. El Hana.
CVG