ECLI:NL:CRVB:2011:BP7419

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2852 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig onderzoek

Appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem een WAO- en later WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid per 28 april 2006 en 28 maart 2008.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Neuropsychologisch onderzoek door P.J.J. van der Werff toonde aan dat appellant tijdens het onderzoek zeer slecht presteerde, waardoor de resultaten waarschijnlijk geen valide beeld van zijn cognitief functioneren gaven. De rechtbank zag geen reden een deskundige in te schakelen en vond dat de vastgestelde beperkingen en de daaraan ten grondslag liggende functies passend waren.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe medische gegevens aan te dragen of te motiveren waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/2852 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2010, 09/3006 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Voor appellant was niemand verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Kneefel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 21 november 2008 heeft het Uwv geweigerd appellant per 28 april 2006 en per 28 maart 2008 een WAO-uitkering toe te kennen omdat per die data er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, respectievelijk er sprake is van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.
1.2. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard. Het primaire besluit is gewijzigd in die zin dat per 28 maart 2008 niet een WAO-uitkering maar een WIA-uitkering wordt geweigerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 juli 2009 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. In een Ziektewetprocedure is neuropsycholoog P.J.J. van der Werff geraadpleegd. Van der Werff heeft op 28 januari 2008 een rapport uitgebracht. Dit rapport is door de verzekeringsarts ook gebruikt bij de WAO-beoordeling. Van der Werff heeft gerapporteerd dat appellant tijdens het onderzoek zo slecht heeft gepresteerd dat het zeer waarschijnlijk is dat de onderzoeksprestaties niet als een valide beschrijving van het cognitieve functioneren kunnen worden beschouwd. Zelfs een dement bejaard persoon of iemand met een groot CVA zou nog beter scoren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige in te schakelen. Appellant heeft zelf geen medische informatie overgelegd die een ander licht op de zaak werpt. De rechtbank heeft voorts overwogen dat uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen de aan de schatting ten grondslag liggende functies passend zijn.
3. De Raad oordeelt als volgt.
4. Appellant is in hoger beroep onveranderd van mening dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Hij heeft hiervoor gronden aangevoerd die ook al in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. In hoger beroep zijn die gronden herhaald waarbij appellant niet heeft aangegeven waarom naar zijn opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is. Evenmin zijn er nieuwe medische gegevens in geding gebracht.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden op juiste wijze heeft besproken en op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
5. Uit hetgeen onder 4 is overwogen volgt dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.L. Venneman.
JL