ECLI:NL:CRVB:2011:BP7512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1137 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 11 WWBArt. 17 WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende gewijzigde omstandigheden

Betrokkene diende op 8 november 2007 een aanvraag om bijstand in, welke door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage op 19 november 2007 werd afgewezen wegens het niet aantonen van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval een huisbezoek, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.

De Raad stelt vast dat betrokkene niet is geslaagd in het aantonen dat hij sinds de vorige aanvraag op 21 februari 2007 voldoet aan de bijstandsvereisten. Hoewel betrokkene op het adres staat ingeschreven en huur betaalt, is niet aannemelijk gemaakt dat hij daar daadwerkelijk woonde in de relevante periode. De Raad acht het huisbezoek niet verplicht omdat de psychische problematiek niet zodanig ernstig was dat betrokkene niet in staat was een aanvraag in te dienen.

De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het onderzoek vond plaats op 25 januari 2011, de uitspraak is gedaan op 8 maart 2011 door J.F. Bandringa.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

09/1137 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 januari 2009, 08/1597 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 8 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Vukovic, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Betrokkene heeft vanaf 1988 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen. Volgens zijn opgave, die in overeenstemming was met de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA), woonde betrokkene met ingang van 28 februari 2002 op het adres [adres] in [plaatsnaam]. Bij besluit van 15 juli 2004 is de aan betrokkene verleende bijstand met ingang van 1 juli 2004 ingetrokken op de grond dat aan de hand van de door betrokkene verstrekte informatie (de hoogte van) het recht op bijstand niet te bepalen is. Betrokkene heeft in dit besluit berust. Vervolgens heeft betrokkene vanaf 31 december 2004 diverse aanvragen ingediend, welke niet hebben geleid tot het hervatten van de bijstand. De voorlaatste aanvraag van betrokkene van 21 februari 2007 is mede op grond van de bevindingen tijdens een huisbezoek aan de woning [adres] op 2 maart 2007 wederom afgewezen bij besluit van 27 maart 2007. Dit besluit berust op de grond dat betrokkene onvolledige inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot zijn woonsituatie, zodat niet kan worden beoordeeld of, en zo ja in welke mate, bijstand moet worden verleend. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 17, in samenhang met artikel 11, van de WWB. Betrokkene heeft tegen het besluit van
27 maart 2007 geen rechtsmiddel aangewend.
1.2. Op 8 november 2007 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.
1.3. Bij besluit van 19 november 2007 heeft appellant die aanvraag afgewezen.
1.4. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2007 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de grond dat betrokkene niet heeft aangetoond dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan betrokkene nu wel voor bijstand in aanmerking kan komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daaraan voorafgaande een huisbezoek aan het door betrokkene opgegeven woonadres te doen plaatsvinden, zulks met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. Die uitspraak berust op het oordeel van de rechtbank dat het besluit op bezwaar in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellant ten onrechte heeft nagelaten in het kader van de onderhavige aanvraag een huisbezoek te doen plaatsvinden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Nu betrokkene heeft berust in het onder 1.1 genoemde besluit van appellant van 27 maart 2007, staat vast dat betrokkene ten tijde van zijn aanvraag van 21 februari 2007 de inlichtingenverplichting niet is nagekomen nu hij geen duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woonsituatie en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, of indien een eerdere aanvraag is afgewezen, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene daarin niet is geslaagd. De omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, betrokkene is blijven volhouden op genoemd adres te wonen, dat hij op dit adres in de GBA staat ingeschreven, de huur van de woning betaalt en daarvoor huursubsidie ontvangt en dat hij zijn post op dit adres ontvangt, betekent niet dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van gewijzigde omstandigheden. Betrokkene heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat hij in de hier ter beoordeling liggende periode van 8 november 2007 tot en met 19 november 2007 wel woonde op het adres [adres].
4.4. Daarbij acht de Raad van belang dat de onderhavige aanvraag met betrokkene is besproken en dat uit het daarvan opgemaakte verslag blijkt dat betrokkene heeft volhard in zijn verklaring dat zijn woonsituatie sinds de laatste afwijzing van zijn aanvraag van 21 februari 2007, niet was gewijzigd.
4.5. Het oordeel van de rechtbank is met name gebaseerd op de door de toenmalige gemachtigde van betrokkene,
mr. Spoelstra, advocaat te ’s-Gravenhage, ter zitting van de rechtbank geschetste woonomstandigheden en psychische gesteldheid van betrokkene, zoals mr. Spoelstra deze heeft ervaren bij zijn eigen bezoek aan de woning van betrokkene. Daarbij heeft mr. Spoelstra onder meer aangegeven dat betrokkene woont als een zwerver in zijn eigen woning.
4.6. Volgens appellant is de psychische problematiek van betrokkene wel onderkend, maar is deze niet dermate ernstig geacht dat appellant gehouden was nog een huisbezoek te doen plaatsvinden. Daarbij is van belang geacht dat betrokkene niet buiten staat was een aanvraag om bijstand in te dienen. De Raad kan zich met dit standpunt van appellant verenigen. Daarbij wordt tevens in aanmerking worden genomen dat niet is gebleken dat het huisbezoek van mr. Spoelstra heeft plaatsgevonden binnen de hier ter beoordeling liggende periode.
4.7. Gelet op het onder 4.4 en 4.6 overwogene was appellant naar het oordeel van de Raad in het kader van deze aanvraag niet gehouden een huisbezoek te doen afleggen. Overigens heeft appellant ook geen gevolg meer kunnen geven aan de daartoe strekkende opdracht van de rechtbank, nu gebleken is dat het adres van betrokkene ingaande
20 januari 2009 is gewijzigd.
4.8. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.
HD