ECLI:NL:CRVB:2011:BP7944

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4063 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft op 25 september 2008 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering wegens psychische problemen die voor zijn zeventiende verjaardag zijn ontstaan. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 21 januari 2009 geweigerd hem een uitkering toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.

De rechtbank heeft dit besluit bij uitspraak van 4 juni 2010 bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat hij meer beperkingen ondervond dan door het UWV was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen, die beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren aannamen op basis van psychische klachten.

De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit en oordeelde dat de functies waarop het besluit is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant. De brief van de psychotherapeut bevatte geen nieuwe informatie die het oordeel zou kunnen wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/4063 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juni 2010, 09/1143 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend onder meezending van een verzekeringsgeneeskundig rapport.
Namens appellant is een nader medisch stuk ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.M. Hartmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1987, heeft op 25 september 2008 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend en daarbij gesteld in verband met psychische problemen voor zijn zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt te zijn geworden.
1.2. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 januari 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit), geweigerd appellant ingaande 15 december 2005 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder is dan 25%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Appellant acht het medisch onderzoek onzorgvuldig en acht zich meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts, die mede op basis van informatie van psychotherapeut i.o. drs. S. Tuerlinckx beperkingen op het terrein van het persoonlijk en sociaal functioneren heeft aangenomen wegens spanningsklachten en een zorgelijke persoonlijkheidsproblematiek met cluster B aspecten. Appellant is vervolgens in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts gehoord, welke arts na bestudering van onder meer de in bezwaar ingebrachte informatie van de huisarts en Tuerlinckx, de conclusies van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven. De Raad ziet de stelling van appellant dat niet is onderzocht wat zijn medische situatie per datum in geding was niet slagen, nu uit de medische rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt dat de bij appellant vastgestelde beperkingen zijn gerelateerd naar de datum in geding. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen dan wel de ernst ervan in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De in hoger beroep overgelegde brief van Tuerlinckx van 18 januari 2011 bevat over de psychische gesteldheid van appellant ten tijde van de datum in geding geen andere informatie dan reeds bij het Uwv bekend was.
4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M.D.F. de Moor.
KR