ECLI:NL:CRVB:2011:BP7998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als assistent groepsleidster, meldde zich in 2003 ziek met psychische klachten en werd door het UWV beperkt belastbaar geacht. Na een eerdere weigering van een WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, meldde zij zich in 2007 opnieuw arbeidsongeschikt met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV besloot aanvankelijk geen recht op WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar verklaarde later bezwaar gegrond en kende een WAO-uitkering toe op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid, hoewel dit abusievelijk was en het eigenlijk 15-25% had moeten zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, onder meer omdat het verzekeringsgeneeskundig protocol niet werd toegepast en zij zwaarder beperkt was dan vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het protocol niet van toepassing was op de datum in geschil en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellante zwaarder beperkt was dan vastgesteld, ook niet op basis van medische verklaringen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante onvoldoende arbeidsongeschikt is voor een WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.