ECLI:NL:CRVB:2011:BP8472

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-355 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten in hoger beroep tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

In deze zaak heeft appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Staal van SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond. De rechtbank had op 8 december 2005 een beslissing genomen in een geschil met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Tijdens de procedure heeft het Uwv op 20 september 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor heeft appellante haar hoger beroep op 26 oktober 2010 en 30 december 2010 ingetrokken, maar verzocht om vergoeding van de proceskosten door het Uwv.

De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het Uwv inderdaad geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Op basis van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet, heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv moet worden veroordeeld in de proceskosten die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep. De kosten zijn begroot op € 2.095,46, bestaande uit € 644,- voor rechtsbijstand in beroep, € 1.288,- voor rechtsbijstand in hoger beroep en € 163,46 aan reiskosten.

De Raad heeft ook opgemerkt dat appellante zich voor vergoeding van het griffierecht rechtstreeks tot het Uwv kan wenden. De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, met T.J. van der Torn als griffier, en is openbaar uitgesproken op 18 maart 2011.

Uitspraak

06/355 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 december 2005, 05/390 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007, op 20 februari 2009 en op 23 april 2010.
De Raad heeft bij tussenuitspraak 25 juni 2010 het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit van
22 februari 2005 te herstellen.
Het Uwv heeft op 20 september 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brieven van 26 oktober 2010 en 30 december 2010 heeft mr. Staal namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 28 januari 2011 verweer gevoerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 september 2010 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 163,46 aan reiskosten, derhalve in totaal € 2.095,46.
Ten aanzien van de geclaimde verletkosten voor de partner van appellante overweegt de Raad dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen alleen al omdat artikel 1, onder d, van het Bpb slechts voorziet in de mogelijkheid verletkosten te vergoeden aan een partij of een belanghebbende.
Met betrekking tot de correspondentie-/bureaukosten is de Raad ten slotte van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op de limitatieve opsomming in artikel 1, onder e, van het Bpb. Overigens zijn deze kosten reeds begrepen in de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand.
De Raad overweegt voorts dat appellante zich voor vergoeding van het griffierecht rechtstreeks tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.095,46.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
NK