ECLI:NL:CRVB:2011:BP8606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op bijstand voor alleenstaande ouder wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving vanaf 17 augustus 2006 bijstand als alleenstaande ouder nadat hij had aangegeven zijn echtgenote te hebben verlaten en bij zijn ouders te wonen. Naar aanleiding van een vermoeden van fraude werd een onderzoek ingesteld naar zijn woon-, leef- en inkomenssituatie. Op basis van verklaringen van appellant en zijn echtgenote, afgelegd ten overstaan van de sociale recherche, concludeerde het College dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde en trok de bijstand met terugwerkende kracht in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand, maar oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden en dat zijn verdedigingsrechten waren geschonden.
De Raad verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de vraag over het duurzaam gescheiden leven onderdeel was van het oorspronkelijke geding. De verklaringen en het dossier boden voldoende grond voor het oordeel dat appellant vanaf 17 augustus 2006 niet duurzaam gescheiden leefde. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellant geen recht heeft op bijstand als alleenstaande ouder wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.