ECLI:NL:CRVB:2011:BP9666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor werk ondanks chronische leverontsteking
Appellant, laatstelijk werkzaam als stadswacht, meldde zich wegens schouder- en voetklachten ziek op 18 juli 2007 en opnieuw op 9 juli 2008. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot per 1 juni 2008 en 9 juli 2008 het recht op ziekengeld te beëindigen, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn werkzaamheden. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard door het Uwv en later bevestigd door de rechtbank Groningen.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd overwogen dat de (bezwaar)verzekeringarts voldoende inzicht had in de aard en zwaarte van het werk van appellant, mede op basis van een arbeidsdeskundig rapport en taakomschrijving. De medische rapporten toonden aan dat appellant's werk geen zware schouderbelasting bevatte en dat er geen medisch argument was om appellant ongeschikt te achten voor zijn werk, ondanks mogelijke klachten van een chronische leverontsteking.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Ook de latere toekenning van ziekengeld per maart 2009 wegens verslechtering van de klachten veranderde niets aan de beoordeling per de eerdere data. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld per 1 juni 2008 en 9 juli 2008 vanwege geschiktheid voor zijn werk.