ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0092

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2183 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling arbeidsmogelijkheden appellant

Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid en hervatte in 1984 gedeeltelijk werk. Na een heronderzoek in 2008 stelde het UWV dat appellant met zijn beperkingen geschikt was voor bepaalde functies en verlaagde de uitkering per 19 januari 2009 naar 15-25%.

Appellant maakte bezwaar, waarbij een psychiatrisch onderzoek geen psychische beperkingen vaststelde. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat de functies, met uitzondering van één reservefunctie, geschikt waren en berekende een verlies aan verdiencapaciteit van 19%. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zijn standpuntwijziging voldoende had gemotiveerd en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een correcte weergave van de arbeidsmogelijkheden was. De Raad bevestigt deze beoordeling en wijst erop dat ook de rugklachten geen aanleiding geven tot verdere beperkingen.

Een medisch rapport van na de datum in geding kon geen gewicht krijgen. De Raad concludeert dat de belastbaarheid niet onjuist is beoordeeld en dat de functies haalbaar zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/2183 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 maart 2010, 09/414 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 7 februari 2011 heeft appellant een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D.R. Abdoelhak.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving na uitval in augustus 1980 voor zijn werkzaamheden als opperman wegens een hernia een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In augustus 1984 heeft appellant hervat als klusjesman. In december 1984 heeft hij zich ziek gemeld met armklachten en psychische klachten, waarna zijn WAO-uitkering vanaf medio december 1985 is opgehoogd naar 80 tot 100%.
1.2. In 2008 heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de uitkomsten daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht arbeid in voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Bij besluit van 17 november 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 januari 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.3. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 17 november 2008 gemaakte bezwaar heeft psychiater W.H.J. Mutsaers op verzoek van het Uwv onderzoek gedaan naar de gezondheidstoestand van appellant en van zijn bevindingen verslag gedaan in een rapport van 15 april 2009. Mutsaers heeft op zijn vakgebied geen diagnose kunnen vaststellen in verband waarmee er volgens Mutsaers geen psychiatrische argumenten zijn voor het oordeel dat appellant geen passend werk meer zou kunnen verrichten. Op grond van deze bevindingen en conclusies heeft bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen aangegeven dat er geen argumenten zijn om voor appellant op het psychische vlak beperkingen aan te nemen. Van Bruggen heeft de met betrekking tot appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 24 april 2009 aangepast met beperkingen voor tillen/dragen, koude, op hoogtes werken en werken met gevaarlijke machines.
1.4. Bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts heeft in zijn rapport van 24 april 2009 de arbeidskundige grondslag heroverwogen en geconcludeerd dat met inachtneming van de FML van 24 april 2009 de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, op een reservefunctie na, ongewijzigd geschikt zijn voor appellant. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 19%. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 4 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het Uwv aan zijn besluit niet ten gronde heeft gelegd dat de medische situatie van appellant is verbeterd en dat op die grond het laten vallen van de psychische beperkingen gerechtvaardigd is, maar dat het gaat om een andere waardering van dezelfde feiten. Het Uwv kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bevoegdheid worden ontzegd om terug te komen van een in het verleden ingenomen standpunt, ook al zijn de feitelijke omstandigheden niet gewijzigd. Wel is vereist dat voor die wijziging een voldoende draagkrachtige motivering wordt gegeven, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank is geschied met het rapport van Mutsaers. Volgens de rechtbank is van de zijde van appellant niet onderbouwd dat de FML geen correcte weergave van zijn huidige arbeidsmogelijkheden is.
2.2. Door bezwaararbeidsdeskundige Coerts is voorts naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht verschaft in de functiebelastingen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, met uitzondering van de functie productiemedewerker industrie. Er zijn volgens de rechtbank evenwel geen aanwijzingen dat het aaneengesloten zitten in de functie productiemedewerker industrie door de arbeidskundig analist onjuist zou zijn gescoord en gaat dan ook van zijn bevindingen uit. De rechtbank kan tot geen andere conclusie komen dan dat appellants belastbaarheid op dit punt niet wordt overschreden.
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaar gehandhaafd dat in het verleden rekening is gehouden met psychisch belemmerende factoren, terwijl daar in deze beoordeling geen rekening meer mee wordt gehouden, terwijl het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het terug komt van dit eerder ingenomen standpunt. Tevens houdt appellant zijn mening staande dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn rugklachten.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv zijn standpuntwijziging met betrekking tot de psychische gezondheidsklachten van appellant en daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen voldoende heeft onderbouwd en dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat er geen beperkingen op psychisch vlak (meer) vallen aan te geven, juist is te achten. De Raad kan zich volledig verenigen met hetgeen de rechtbank ter zake in de aangevallen uitspraak heeft overwogen -zoals in samenvatting in rechtsoverweging 2.1 is weergegeven- en maakt die overwegingen en het daarop gegronde oordeel tot de zijne.
4.3. Ook wat betreft de rugklachten ziet de Raad -met de rechtbank- in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten voor het standpunt dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding heeft overschat. De Raad stelt vast dat de (bezwaar)verzekeringsartsen met de medische gegevens, waaronder een uitdraai van de huisarts van appellant en een brief van 20 november 2009 van revalidatiearts B. Hogerdijk rekening heeft gehouden bij de beoordeling. De Raad ziet in die informatie geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op de datum in geding verdergaande beperkingen hadden moeten worden gesteld dan de in de FML opgenomen beperkingen. De Raad merkt hierbij nog op dat de in hoger beroep overgelegde rapportage van 5 februari 2011 van medisch adviseur dr. A.N.A. Smith dateert van ruim na de datum in geding en geen informatie bevat met betrekking tot de datum in geding 19 januari 2009. Reeds om die reden kan dit rapport onvoldoende gewicht in de schaal leggen.
4.4. Aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellant niet onjuist is gewaardeerd, heeft ook de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies niet haalbaar zouden zijn voor appellant.
4.5. De overwegingen 4.2 tot en met 4.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. vanAmerongen.
CVG