ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0099

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-569 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds een eerdere afwijzing in 2004. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onevenredig zwaar werd getroffen en dat de aanvraag ten onrechte te laat was ingediend.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een nieuwe aanvraag alleen in behandeling kan worden genomen indien er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. De omstandigheden die appellant aanvoerde, zoals zijn komst naar Nederland elf dagen na zijn zeventiende verjaardag, waren reeds bekend en vormden geen nieuw feit. Ook de stelling dat zijn belangen onvoldoende waren erkend bij het eerdere besluit, werd niet als nieuw feit aangemerkt.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht de aanvraag heeft afgewezen en dat er geen sprake was van onredelijk of onrechtmatig handelen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

10/569 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2009, 09/2006
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 9 december 2008 geweigerd om terug te komen van een eerder besluit van 23 februari 2004, strekkende tot niet-toekenning aan appellant van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 15 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep, ingesteld tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank is - samengevat - tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar naar voren heeft gebracht, geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren als bedoeld in art 4:6 van Pro de Awb.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door de beslissing van het Uwv onevenredig zwaar wordt getroffen. Volgens appellant is het niet terecht dat de Wajong-aanvraag is afgewezen omdat deze te laat is ingediend.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In artikel 4:6 van Pro de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.3. De Raad is van oordeel dat bij het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 23 februari 2004 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb zijn vermeld.
4.4. Met name zijn zulke feiten of omstandigheden niet gelegen in het namens appellant benadrukte gegeven dat hij slechts elf dagen na zijn zeventiende verjaardag naar Nederland is gekomen. Bij het besluit van 23 februari 2004 is immers aan appellant juist Wajong- uitkering geweigerd omdat hij op het moment waarop hij 17 jaar werd niet in Nederland woonde en toen reeds geheel arbeidsongeschikt was. De stelling van appellant dat bij het nemen van dat besluit zijn -zwaarwegende belangen onvoldoende zijn erkend, vormt evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid in meerbedoelde zin, daar die stelling niet anders is dan een grond die tegen de eerdere afwijzing had kunnen worden ingebracht.
4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het Uwv zich terecht bevoegd heeft geacht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen. In hetgeen door appellant is gesteld, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.6. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
CVG