AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving sinds 2003 met onderbrekingen bijstand. Naar aanleiding van een anonieme tip over een bankrekening met ruim €30.000 saldo, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit leidde tot een besluit in 2007 tot herziening en terugvordering van bijstandskosten over meerdere perioden vanwege overschrijding van de vermogensgrens.
In 2008 verklaarde het College het bezwaar van appellant deels gegrond en trok de bijstand over vier perioden in, met terugvordering van ruim €32.000. De intrekking over periode II was gebaseerd op onbekende herkomst van stortingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de tegoeden op de bankrekeningen toebehoorden aan zijn vriendin en niet aan hem. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over deze tegoeden kon beschikken. De verklaring van de vriendin werd niet als objectief bewijs gezien.
De Raad stelde vast dat het College zijn standpunt inzake periode II had verlaten en dat de intrekking over deze periode onterecht was. Het besluit over periode II werd vernietigd. De Raad droeg het College op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering van bijstandskosten over de betrokken perioden, waarbij de stortingen als inkomsten moeten worden verwerkt.
De uitspraak werd gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans namens de Centrale Raad van Beroep op 22 maart 2011.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over periode II wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over terugvordering bijstandskosten over perioden I tot en met IV.
Uitspraak
09/1945 WWB-T
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
T U S S E N U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2009, 08/3365 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bol. Ter zitting is de door appellant meegebrachte getuige [naam getuige], wonende in Polen, gehoord. E.U. Kobus was als tolk Pools aanwezig. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt sinds 6 mei 2003 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding, onder meer inhoudende dat de tipgever een afschrift heeft van een op naam van appellant gestelde bankrekening van 14 februari 2007 met een saldo van € 30.096,66, heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Dit onderzoek bestond onder meer uit het horen van getuigen, het opvragen van gegevens bij de Belastingdienst en bij de ABN-AMRO bank en het horen van appellant op 30 mei 2007. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 11 juni 2007, waren voor het College aanleiding om bij besluit van 16 oktober 2007 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 6 mei 2003 tot en met 30 april 2007 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen.
1.3. Bij besluit van 18 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2007 deels gegrond verklaard. Onder herroeping van dat besluit heeft het College de bijstand ingetrokken over de perioden van 6 mei 2003 tot en met 7 december 2003 (hierna: periode I), 11 maart 2004 tot en met 19 september 2004 (hierna: periode II), 17 oktober 2005 tot en met 9 oktober 2006 (hierna: periode III) en 30 oktober 2006 tot en met 30 april 2007 (hierna: periode IV), en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 32.374,44 van appellant teruggevorderd. Aan de intrekking van bijstand over de perioden I, III en IV ligt ten grondslag dat appellant bij zijn aanvraag twee op zijn naam staande bankrekeningen heeft verzwegen, dat de saldi op die rekeningen tot zijn vermogen moeten worden gerekend en dat appellant over die perioden beschikte over een vermogen dat de in zijn geval toepasselijke vermogensgrens overschreed. De over periode II verleende bijstand is ingetrokken op de grond dat op de bankrekeningen van appellant in maart en juni 2004 bedragen zijn gestort waarvan de herkomst onbekend is, zodat het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 juli 2008 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend zijn in bezwaar en beroep aangevoerde stelling herhaald dat de tegoeden op de bankrekeningen met de nummers eindigende op [nr.] en [nr.] niet aan hem, maar aan zijn vriendin [naam getuige] (hierna: M) toebehoorden, en dat hij over deze tegoeden niet de beschikking had noch redelijkerwijs daarover kon beschikken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Met betrekking tot de intrekking van bijstand over de perioden I, III en IV is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de tegoeden op de bankrekeningen met de nummers eindigende op [nr.] en [nr.] geen bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellant in die perioden de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant en M ondertekende verklaring van 2 maart 2002 en de overzichten van de Poolse bankrekening van M geen objectieve en verifieerbare onderbouwing vormen van de stelling van appellant dat het tegoed op genoemde bankrekeningen niet aan hem, maar aan M toebehoorde. Ook de Raad acht daarbij van belang dat appellant wel en M niet over de tegoeden op die bankrekeningen kon beschikken.
4.2. Ter zitting van de Raad heeft M een aanvullende verklaring afgelegd. Die houdt in essentie in dat zij verscheidene malen geld heeft opgenomen van haar Poolse bankrekening en in goed vertrouwen aan appellant heeft gegeven, dat appellant dit geld op zijn rekeningen heeft gestort en dat zij te zijner tijd met dit geld een bedrijf wil beginnen. Deze verklaring is wel in overeenstemming met de stelling van appellant, maar doet geen afbreuk aan het feit dat iedere concrete en verifieerbare onderbouwing voor die stelling ontbreekt. Dat M, zoals appellant stelt, destijds in Nederland niet zelf een bankrekening kon openen, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het tegoed op de bankrekening van appellant aan haar toebehoorde.
4.3. Gezien het voorgaande slaagt de beroepsgrond van appellant niet.
4.4. De Raad stelt voorts vast dat het College ter zitting zijn standpunt dat het recht op bijstand over periode II niet is vast te stellen heeft verlaten. Gezien de mededeling van appellant dat de stortingen op zijn bankrekeningen geld van zijn vriendin betroffen is het College nu van mening dat die stortingen als inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de bijstand over de maanden maart en juni 2004, waarin die stortingen hebben plaatsgevonden. Het voorgaande betekent dat het besluit van 18 juli 2008, voor zover daarbij de bijstand van appellant over de hele periode II is ingetrokken, is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5. Nu de intrekking van de bijstand over periode II niet in stand kan blijven, zal het besluit van 18 juli 2008 voor zover het betrekking heeft op de terugvordering geheel vernietigd worden, omdat dat onderdeel van het besluit ondeelbaar is.
4.6. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 18 juli 2008 niet in stand gelaten worden. De Raad kan evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe overweegt de Raad dat hij het standpunt van het College onderschrijft dat de kasstortingen als inkomsten als bedoeld in artikel 32 vanPro de WWB moeten worden aangemerkt. Nu het bedrag van die stortingen zowel in maart als in juni 2004 hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm, was het College bevoegd tot intrekking van de bijstand over die maanden en tot terugvordering van de over die maanden gemaakte kosten van bijstand. Het ligt op de weg van het College om te berekenen welke gevolgen het onder 4.4 gegeven oordeel heeft voor de hoogte van de over de perioden I, III en IV en over maart en juni 2004 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. Uit de gedingstukken kan dat niet worden opgemaakt.
4.7. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen een nieuw besluit op bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2007 te nemen voor zover dit besluit de terugvordering van de kosten van bijstand van betrokkene over de perioden I tot en met IV betreft.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 juli 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.