ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving sinds 2003 met onderbrekingen bijstand. Naar aanleiding van een anonieme tip over een bankrekening met ruim €30.000 saldo, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit leidde tot een besluit in 2007 tot herziening en terugvordering van bijstandskosten over meerdere perioden vanwege overschrijding van de vermogensgrens.
In 2008 verklaarde het College het bezwaar van appellant deels gegrond en trok de bijstand over vier perioden in, met terugvordering van ruim €32.000. De intrekking over periode II was gebaseerd op onbekende herkomst van stortingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de tegoeden op de bankrekeningen toebehoorden aan zijn vriendin en niet aan hem. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over deze tegoeden kon beschikken. De verklaring van de vriendin werd niet als objectief bewijs gezien.
De Raad stelde vast dat het College zijn standpunt inzake periode II had verlaten en dat de intrekking over deze periode onterecht was. Het besluit over periode II werd vernietigd. De Raad droeg het College op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering van bijstandskosten over de betrokken perioden, waarbij de stortingen als inkomsten moeten worden verwerkt.
De uitspraak werd gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans namens de Centrale Raad van Beroep op 22 maart 2011.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over periode II wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over terugvordering bijstandskosten over perioden I tot en met IV.