ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0236

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5507 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding AOW-partnertoeslag

Appellant ontving een volledig AOW-pensioen met een partnertoeslag die met 26% werd gekort vanwege verzekeringsjaren van zijn echtgenote. Hij maakte bezwaar tegen deze korting, maar deed dit buiten de wettelijke termijn van zes weken. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden.

In hoger beroep stelde appellant dat hij aanvankelijk niet op de hoogte was van de onjuistheid van de korting en pas na advies van een jurist/fiscalist enkele maanden later bezwaar maakte. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden voor zijn risico blijven en dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is.

De Raad bevestigde dat het besluit correct was bekendgemaakt en ontvangen, waardoor de bezwaartermijn rechtsgeldig was gestart en verlopen. Er waren geen redenen om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, en daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de korting op de AOW-partnertoeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

10/5507 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2010, 09/3711 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 1 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote [naam echtgenote]. De Svb was vertegenwoordigd door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de Svb aan appellant een volledig pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Tevens is, omdat de echtgenote van appellant op dat moment jonger was dan 65 jaar, een toeslag op het AOW-pensioen toegekend. Deze toeslag is met 26% gekort, onder overweging dat de echtgenote van appellant gedurende 13 jaren niet verzekerd is geweest.
1.2. Bij besluit van 25 april 2008 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2007 wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat appellant met zijn bezwaarschrift van 10 maart 2008 buiten de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziene bezwaartermijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt, hetgeen van de zijde van appellant ook wordt erkend. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om die termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb verschoonbaar te achten, in welk verband de rechtbank heeft overwogen dat met de stelling van appellant dat hij niet eerder op de hoogte was van de wet- en regelgeving totdat een bevriend jurist hem daarop wees, niet is aangetoond dat hij niet bij machte is geweest tijdig een bezwaarschrift in te (laten) dienen.
3. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zoals ter zitting nader toegelicht, houdt hij staande dat de overschrijding van de bezwaartermijn hem niet kan worden tegengeworpen. In dat verband heeft hij andermaal erop gewezen dat hij zich in eerste instantie had neergelegd bij de op de partnertoeslag toegepaste korting van 26%, ervan uitgaande dat die korting juist was, althans niet met kans op succes aanvechtbaar. Na enkele maanden evenwel onderkende appellant, na advies van een bevriende jurist/fiscalist, dat de beslissing tot het toepassen van de korting (mogelijkerwijs) niet juist was. Appellant acht het in verband hiermee niet verwijtbaar dat hij eerst na afloop van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Door appellant wordt niet betwist dat het besluit van 28 maart 2007 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en op die dag door gedaagde is verzonden. Tevens staat vast dat het besluit door appellant is ontvangen. Derhalve dient te worden aangenomen dat de bezwaartermijn op 29 maart 2007 is aangevangen en op 9 mei 2007 is geëindigd. Nu appellant eerst met zijn bezwaarschrift van 10 maart 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit, is het bezwaar te laat gemaakt.
4.3. Naar het oordeel van de Raad kunnen de door appellant ter verklaring van de termijnoverschrijding aangevoerde redenen, zoals in samenvatting weergegeven in rechtsoverweging 4, die overschrijding niet verontschuldigen. De door appellant benadrukte omstandigheden als onbekendheid met de regelgeving, de geringe eigen ervaring met de onderhavige materie en het eerst enkele maanden later na advies van een jurist/fiscalist verkregen nadere inzicht met betrekking tot de toegepaste korting op de partnertoeslag, zijn alle omstandigheden die voor zijn risico dienen te blijven. Op grond daarvan kan in elk geval niet worden geoordeeld dat appellant niet in staat is geweest tijdig bezwaar te (laten) maken.
4.4. Ook anderszins is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om de onderhavige termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.
(get.) J. W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
NK