ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0316

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2901 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens volledig tegemoetkomen door College in bijstandsnorm

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarbij haar bijstandsnorm werd herzien van alleenstaande ouder naar alleenstaande, nadat bleek dat geen minderjarige kinderen meer bij haar woonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante gemotiveerd verweer.

Tijdens het hoger beroep heeft het College een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar van appellante gegrond werd verklaard en zij bijstand kreeg toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% vanaf 28 april 2008. Hierdoor is appellante volledig tegemoetgekomen.

De Raad oordeelt dat appellante geen (proces)belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep en verklaart dit niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het College appellante volledig tegemoet is gekomen.

Uitspraak

09/2901 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2009, 08/2484 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 5 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het College appellante meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) na de uitschrijving van haar [naam dochter] van haar adres, ongewijzigd wordt voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2. Nadat uit onderzoek was gebleken dat per 17 oktober 2007 geen minderjarige eigen kinderen meer bij appellante inwoonden, maar een meerderjarige dochter met haar zoon, heeft het College bij besluit van 28 april 2008 de bijstandsnorm van appellante met ingang van 17 oktober 2007 herzien naar de norm voor een alleenstaande.
1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 juni 2008 gegrond verklaard in die zin dat de datum van de herziening van de bijstandsnorm is gewijzigd in 28 april 2008. Tevens heeft het College de kosten van bezwaar vergoed. Het College heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat door het besluit van 12 november 2007 bij appellante het vertrouwen was gewekt dat zij terecht een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder ontving. In de omstandigheid dat appellante feitelijk de zorg voor haar kleinkind heeft, zag het College geen aanleiding de bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Hangende het hoger beroep heeft het College op 21 februari 2011 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 april 2008 gegrond is verklaard en aan appellante met ingang van 28 april 2008 bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%.
5. Naar het oordeel van de Raad is het College met het besluit van 21 februari 2011 volledig aan appellante tegemoetgekomen. Dit brengt mee dat appellante geen (proces)belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. De Raad zal het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaren.
6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal
€ 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. Scheffer.
HD