Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/1615 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 49 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor belastingschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen

Appellante verzocht om bijzondere bijstand in de vorm van een lening ter voldoening van een belastingschuld die was ontstaan door een teveel betaalde tegemoetkoming kinderopvang. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijstand niet wordt verleend indien de aanvrager ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit was in casu het geval. Hoewel artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB een uitzondering biedt bij zeer dringende redenen, zag de Raad geen aanknopingspunten dat deze situatie zich voordeed.

Daarnaast nam de Raad mee dat appellante haar schuld kon voldoen via een betalingsregeling met de Belastingdienst, waarmee zij hetzelfde effect kon bereiken als met de lening. Daarom was de afwijzing van de aanvraag terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand werd afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen en het beschikken over voldoende middelen.

Uitspraak

09/1615 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 maart 2009, 07/1182 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 5 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 22 februari 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het College appellantes aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een lening ter voldoening van een belastingschuld van € 3.654,--, in verband met teveel betaalde tegemoetkoming kinderopvang over het jaar 2005, afgewezen.
1.2. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
22 november 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het ontstaan van de belastingschuld beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde in beginsel dan ook een beletsel voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.
4.2. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in haar geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat, ongeacht of en in hoeverre het ontstaan van de belastingschuld is toe te rekenen aan appellante, appellante haar schuld blijkens de stukken kan voldoen via een betalingsregeling met de Belastingdienst. Aldus kan appellante in wezen hetzelfde effect bereiken als is beoogd met de in geding zijnde aanvraag om leenbijstand.
4.4. Het voorgaande brengt mee dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. Scheffer.
SG