ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1219

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1047 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAOWet WIAWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na wachttijd

Appellant, voormalig lasser/ijzerwerker, viel in 1996 uit wegens gezondheidsklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend. Deze werd in 2002 ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2007 meldde appellant zich ziek vanuit een WW-uitkering wegens rugklachten. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV onderschreef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn rugklachten waren toegenomen en dat een heropening van de WAO-uitkering op grond van artikel 43a WAO mogelijk was, ondersteund met informatie van een spiritueel centrum.

De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid na de vijfjaarstermijn van artikel 43a WAO was ingetreden, waardoor heropening niet aan de orde was. De medische beoordeling van het UWV werd bevestigd, waarbij voldoende verzekeringsgeneeskundig onderzoek had plaatsgevonden en de belastbaarheid adequaat was vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de arbeidsongeschiktheid na de vijfjaarstermijn is ingetreden.

Uitspraak

10/1047 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2010, 09/2333 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, die werkzaam is geweest als lasser/ijzerwerker, is op 25 juli 1996 uitgevallen met linkerhand- en longklachten. Per einde wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 17 april 2002 heeft het Uwv deze uitkering ingetrokken, op de grond dat appellant per 4 februari 2002 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht.
2.1. Appellant heeft zich op 10 april 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld wegens rugklachten.
2.2. Het beroep van appellant richtte zich tegen het besluit van 25 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 20 januari 2009, strekkende tot de vaststelling dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 7 april 2009 omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
2.3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald dat zijn rugklachten zijn toegenomen en dat zich een (Amber-)situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO waarin de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de eerder toegekende WAO-uitkering. Ter ondersteuning van zijn standpunt is informatie van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans overgelegd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vast dat de WAO-uitkering van appellant op 4 februari 2002 is ingetrokken en dat appellant zich op 10 april 2007 bij het Uwv heeft ziekgemeld. Gelet hierop is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant na het verstrijken van de daarin bepaalde vijfjaarstermijn is ingetreden. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook op goede gronden een einde wachttijd beoordeling gedaan in het kader van de Wet WIA.
4.2. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van het Uwv met betrekking tot de belastbaarheid van appellant onjuist te achten, nu voldoende verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de klachten heeft plaatsgevonden, informatie van de behandelende sector is meegewogen en de Functionele Mogelijkhedenlijst in bezwaar is bijgesteld.
4.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in aanmerking genomen functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellant.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) N.S.A. El Hana.
EK