ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1345

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4873 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 18 lid 1 WAOArt. 8 Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en oplegging boete wegens niet-gemelde inkomsten uit arbeid

Appellante ontving een WAO-uitkering en had inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 mei 2005 en in december 2007 die zij niet aan het UWV had gemeld. Het UWV heeft op grond van artikel 44 van Pro de WAO de uitkering herzien en een terugvordering en boete opgelegd. Appellante betwistte de hoogte van de inkomsten en de berekening van het maatmaninkomen.

De Raad stelde vast dat appellante geen administratie bijhield van haar werkzaamheden en dat het UWV een schatting maakte op basis van haar eigen verklaringen, welke als voldoende zorgvuldig werd beoordeeld. Het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel stonden niet in de weg aan toepassing van artikel 44 WAO Pro. Appellante kon haar stelling dat zij vooraf toestemming had gekregen voor een bijverdiengrens van € 350,-- niet onderbouwen.

Verder oordeelde de Raad dat het UWV terecht het maatmaninkomen vanaf april 2000 indexeerde en niet vanaf april 1999, conform het Schattingsbesluit. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd betreffende herziening WAO-uitkering en boete.

Uitspraak

10/4873 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2010, 09/7341 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 april 2011.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. J.J. Grasmeijer.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft zich op 19 april 1999 ziek gemeld wegens psychische klachten vanuit de Werkloosheidswet (WW) en vanuit een dienstverband van 20 uur per week als gastvrouw. Haar WW-uitkering ontving zij in verband met het op
14 februari 1999 eindigen van haar dienstverband als schoonmaakster voor 20 uur per week. Per 17 april 2000 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Op 15 oktober 2007 heeft het Uwv een melding ontvangen dat appellante werkzaam zou zijn. Een naar aanleiding van die melding door het Uwv ingesteld onderzoek, waarbij appellante een verklaring heeft afgelegd, heeft uitgewezen dat appellante het gehele jaar 2004 en tot 28 mei 2005 één dag per week heeft gewerkt en daarmee netto € 350,-- per maand heeft verdiend. Eind 2007 heeft appellante drie weken lang één tot twee dagen per week gewerkt en netto € 150,-- per week verdiend. Vanaf mei 2008 heeft zij tot slot één tot twee dagen per week gewerkt en netto € 250,-- per maand verdiend.
3.1. Vanwege inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2004 tot 28 mei 2005 en in december 2007 heeft het Uwv, uiteindelijk bij besluit van 17 juli 2009 appellantes indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% gehandhaafd maar vastgesteld dat van 1 januari 2004 tot 28 mei 2005 en in de maand december 2007 betaling van de WAO-uitkering plaatsvindt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80, zulks met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO. Toepassing van artikel 44 van Pro de WAO heeft niet geleid tot aanpassing van betaling over de periode vanaf mei 2008. Tevens heeft het Uwv van appellante teruggevorderd het aan haar over deze perioden onverschuldigd aan WAO-uitkering betaalde bedrag van bruto € 5.334,02.
3.2. Bij afzonderlijk besluit van 17 juli 2009 is aan appellante een boete van € 540,-- opgelegd.
4. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het Uwv appellantes bezwaren tegen de in 3.1 en 3.2 vermelde besluiten ongegrond verklaard.
5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep tegen het besluit op bezwaar van 12 oktober 2009 ongegrond verklaard.
6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de WAO-uitkering ten onrechte is herzien. Voordat zij in 2004 begon met haar werkzaamheden heeft zij bij het Uwv geïnformeerd of zij mocht bijverdienen. Haar is toen gezegd dat dit tot € 350,-- per maand kon. Voorts is appellante het niet eens met de berekening. Appellante heeft verklaard dat zij ongeveer € 350,-- heeft verdiend, het kan dus minder zijn geweest. Het maatmanloon is onjuist vastgesteld en had moeten worden geïndexeerd. Verdiensten van € 350,-- per maand vallen dan binnen de bandbreedte en dus kan geen sprake zijn van herziening en terugvordering.
7. De Raad deelt de door appellante in hoger beroep ingenomen standpunten niet en overweegt daartoe als volgt.
7.1. Dat appellante over de perioden van 1 januari 2004 tot en met 27 mei 2005 inkomsten uit arbeid heeft gehad die zij niet aan het Uwv heeft gemeld, vormt geen punt van geschil, wel het bedrag van die inkomsten. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij heeft verklaard ongeveer € 350,-- per maand te hebben verdiend. Het kan dus ook minder zijn. Ten aanzien van de vaststelling van de omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden stelt de Raad vast dat appellante hiervan geen administratie heeft bijgehouden. Bij gebreke hiervan kan uitsluitend bij wijze van schatting worden bepaald in welke omvang en tegen welke beloning appellante in de periode van 1 mei 2004 tot en met 27 mei 2005 en in december 2007 werkzaamheden heeft verricht. Het Uwv is afgegaan op de door appellante verstrekte informatie waarbij haar verklaring waarin zij voor de periode van 1 januari 2004 tot 28 mei 2005 een bedrag van € 350,-- per maand aan inkomsten heeft genoemd, als basis heeft gediend om uit te gaan van dat bedrag in de berekening op grond van artikel 44 WAO Pro. De Raad is van oordeel dat deze schatting voldoende zorgvuldig is en daarmee op een voldoende deugdelijke grondslag berust.
7.2. In zijn uitspraak van 5 november 2008 (LJN BG3717) heeft de Raad overwogen dat ingeval aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv is gehouden toepassing te geven aan artikel 44 van Pro de WAO. De Raad is van oordeel dat het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel zich in het onderhavige geval niet verzetten tegen de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO. Uit de voorhanden zijnde gegevens is de Raad niet gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel anderszins van bij appellante door het Uwv gewekte gerechtvaardigde verwachtingen, op grond waarvan genoemde beginselen zouden meebrengen dat het Uwv in het voorliggende geval, in weerwil van de uit artikel 44 van Pro de WAO voortvloeiende gehoudenheid, niet tot anticumulatie had mogen besluiten. Appellante heeft haar stelling dat zij voorafgaande aan het aanvangen van haar werkzaamheden contact heeft gehad met het Uwv en dat aan haar is gemeld dat inkomsten tot een bedrag van € 350,-- geen invloed hebben op haar WAO-uitkering, niet onderbouwd. Onder de gedingstukken bevinden zich telefoonnotities van het Uwv. Daaruit blijkt echter dat appellante eerst op 12 januari 2009 heeft geïnformeerd hoeveel ze mag verdienen. Dit terwijl uit de gedingstukken tevens blijkt dat het Uwv appellante reeds in 2004 uitdrukkelijk heeft gevraagd om het insturen van inkomensgegevens en in het bijzonder loonstroken.
7.3. Met betrekking tot appellantes stelling dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld omdat de berekening daarvan begint in april 2000 maar daarbij het salaris van april 1999 wordt gehanteerd en appellantes stelling dat het maatmaninkomen vanaf april 1999 had moeten worden geïndexeerd, overweegt de Raad als volgt. Het Uwv is gehouden tot toepassing van de in artikel 44 van Pro de WAO opgenomen anticumulatieregeling. Daaruit vloeit ook de gehoudenheid voort om het maatmaninkomen vast te stellen en dit te vergelijken met het verdiende inkomen. Het maatmaninkomen is het inkomen dat gezonde personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO met arbeid gewoonlijk verdienen. Bij een eerste beoordeling is dat het inkomen per einde wachttijd. De werkgever van het dienstverband als schoonmaakster heeft het Uwv desgevraagd laten weten dat het salaris van april 1999 niet zou zijn verhoogd na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zodat het Uwv naar het oordeel van de Raad uit mocht gaan van het salaris van april 1999. De Raad begrijpt het beroepschrift aldus dat de hoogte van het maatmaninkomen per einde wachttijd niet in geschil is wat betreft het dienstverband als gastvrouw.
Wel in geschil is of het maatmaninkomen juist is geïndexeerd. In artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit is bepaald dat onder meer in het geval van herziening van de WAO-uitkering geen rekening wordt gehouden met na de eerste beoordeling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, zoals in het onderhavige geval, het maatmaninkomen wordt geïndexeerd aan de hand van het ten tijde van het arbeidskundige onderzoek geldende, door het CBS gepubliceerde cijfer. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft het Uwv terecht geen indexering toegepast vanaf april 1999 doch eerst vanaf april 2000, zijnde de maand van de eerste beoordeling van het maatmaninkomen.
8. Gelet op het vorenstaande slaagt appellantes hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
JL