ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en oplegging boete wegens niet-gemelde inkomsten uit arbeid
Appellante ontving een WAO-uitkering en had inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2004 tot en met 27 mei 2005 en in december 2007 die zij niet aan het UWV had gemeld. Het UWV heeft op grond van artikel 44 van Pro de WAO de uitkering herzien en een terugvordering en boete opgelegd. Appellante betwistte de hoogte van de inkomsten en de berekening van het maatmaninkomen.
De Raad stelde vast dat appellante geen administratie bijhield van haar werkzaamheden en dat het UWV een schatting maakte op basis van haar eigen verklaringen, welke als voldoende zorgvuldig werd beoordeeld. Het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel stonden niet in de weg aan toepassing van artikel 44 WAO Pro. Appellante kon haar stelling dat zij vooraf toestemming had gekregen voor een bijverdiengrens van € 350,-- niet onderbouwen.
Verder oordeelde de Raad dat het UWV terecht het maatmaninkomen vanaf april 2000 indexeerde en niet vanaf april 1999, conform het Schattingsbesluit. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd betreffende herziening WAO-uitkering en boete.