ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden als schoonheidsspecialiste
Appellante ontving sinds 1991 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van een melding van de gemeente Rotterdam stelde het UWV een onderzoek in, waaruit bleek dat appellante vanaf 1 januari 2002 schoonheidsbehandelingen verrichtte zonder dit te melden. Dit leidde tot besluiten tot herziening van de uitkering, terugvordering van onverschuldigde betalingen en oplegging van een boete.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verklaringen die appellante aan de inspecteur had afgelegd voldoende bewijs boden dat zij vanaf 2002 werkzaamheden verrichtte die niet als hobby konden worden aangemerkt. De schatting van het UWV van de inkomsten en de betrokken onkosten werd als zorgvuldig beoordeeld, mede gebaseerd op inkoopoverzichten van de groothandel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij pas vanaf 2003 of 2004 regelmatig klanten had en dat de eerste factuur pas uit juli 2002 dateerde. Ook betwistte zij de hoogte van het aantal klanten en het bedrag per behandeling. De Raad stelde zich echter achter de rechtbank en het UWV, oordelend dat de verklaringen van appellante zelf en de verkregen gegevens een betrouwbare basis vormen voor de schatting. De door appellante ingebrachte kostenposten waren onvoldoende concreet en verifieerbaar.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het bestreden besluit en bevestigde de herziening, terugvordering en boete. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en de boete werd gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door H. Bolt, in aanwezigheid van griffier T.J. van der Torn.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en de opgelegde boete aan appellante worden bevestigd.