ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en proceskostenvergoeding wegens redelijke termijn overschrijding
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin een schadevergoeding van €2.500,- was toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Staat erkende een aanvullende vergoeding van €1.500,-, waarna partijen overeenstemming bereikten en appellante het hoger beroep introk.
Appellante verzocht daarnaast om vergoeding van proceskosten voor de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. De Staat betwistte dit, stellende dat er geen proceshandelingen waren die vergoeding rechtvaardigden onder het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Raad oordeelde dat appellante aanspraak kon maken op proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift in hoger beroep, omdat zij destijds een belang had bij het instellen van het hoger beroep. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €437,- aan proceskosten. Vergoeding van kosten in eerste aanleg werd afgewezen omdat deze reeds waren toegekend door de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door J.W. Schuttel en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €437,- aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep.